Belanghebbende diende op 21 december 2016 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van een woonwagen en een bedrijfsruimte aan een adres te [woonplaats]. De heffingsambtenaar legde leges op van €3.044,30 voor de bouwactiviteiten en €441 voor een buitenplanse kleine afwijking. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen, dat ongegrond werd verklaard door de inspecteur en de rechtbank.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de gemeente jarenlang niet handhavend had opgetreden, waardoor hij gerechtvaardigd vertrouwen had dat geen leges verschuldigd waren. Ook stelde hij dat hij analfabeet is en dat de gemeente niet zorgvuldig had gehandeld. Het hof oordeelde dat het belastbaar feit het in behandeling nemen van de aanvraag in 2016 was en dat het tijdsverloop en eerdere niet-handhaving niet tot het vervallen van leges leidde.
Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en oordeelde dat de leges terecht waren berekend volgens de geldende verordening en tarieventabel. Ook de aanslag voor de buitenplanse kleine afwijking werd bevestigd, ondanks dat het betreffende bouwwerk later werd gesloopt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.