Belanghebbende diende een verzoek in tot teruggaaf van Belgische omzetbelasting over 2017, dat door de Inspecteur niet werd doorgestuurd. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep gegrond verklaard, werd de Inspecteur gelast het verzoek door te sturen, en werd een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stond centraal of de griffierechtnota correct was gesteld, of een dwangsom wegens niet tijdig beslissen toekwam, of een hogere schadevergoeding en proceskostenvergoeding verschuldigd waren. Het hof oordeelde dat de griffierechtnota terecht aan de gemachtigde was gericht, dat de dwangsom niet toekwam omdat de Inspecteur binnen de wettelijke termijn had beslist, en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor materiële schade en beroepsmatige rechtsbijstand.
De rechtbank en het hof volgden de uitgangspunten van het overzichtsarrest voor immateriële schadevergoeding en zagen geen aanleiding tot een hogere vergoeding. De proceskostenvergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van beroepsmatige rechtsbijstand. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over de reeds toegekende bedragen en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.