In deze civiele procedure vordert VGZ Zorgkantoor de terugbetaling van een persoonsgebonden budget (pgb) dat in 2014 aan appellant is toegekend en later werd teruggevorderd wegens onvoldoende verantwoording van de besteding. Het hof neemt de feiten over uit het vonnis van de kantonrechter en vult deze aan met vaststaande gegevens over de communicatie en verzoeken om aanvullende documenten.
Appellant heeft het terugvorderingsbesluit van 7 oktober 2016 niet tijdig bestreden via de bestuursrechtelijke weg, waardoor dit besluit formele rechtskracht heeft verkregen. Appellant betoogt dat hij door contacten met VGZ Zorgkantoor in de veronderstelling verkeerde dat de zaak was opgelost en dat het terugvorderingsbesluit onrechtmatig is omdat VGZ Zorgkantoor niet van het besluit is teruggekomen.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende heeft toegelicht dat hij de gevraagde documenten volledig en tijdig heeft ingediend en dat de veronderstelling dat de zaak was afgewikkeld niet gerechtvaardigd was. Daarnaast is het niet evident onredelijk dat VGZ Zorgkantoor het verzoek om terug te komen van het terugvorderingsbesluit heeft afgewezen, aangezien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.