In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht heeft om te oordelen over vorderingen tot terugbetaling van geldleningen. Appellant betwistte de bevoegdheid omdat hij volgens eigen zeggen in het buitenland woonde.
Het hof oordeelt dat de beoordeling van internationale rechtsmacht plaatsvindt aan de hand van het Nederlandse recht en dat de gewone verblijfplaats van appellant bepalend is. Feitelijk verbleef appellant vanaf 2019 tot oktober 2020 grotendeels in Nederland, waar hij ook een woning bezit en zakelijke activiteiten verrichtte.
De rechtbank had het verweer van appellant verworpen en het hof bekrachtigt dit oordeel. Omdat appellant op het moment van dagvaarding zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd. De vordering tot opheffing van conservatoir beslag wordt afgewezen omdat dit alleen op niet-bevoegdheid is gebaseerd.
Het hof verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.