Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 1 november 2021;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 30 augustus 2021, ingekomen ter griffie op 15 december 2021;
- het bericht van de advocaat van de curator q.q. van 21 december 2021 plus bijlage, inhoudende dat hij geen verweer zal voeren vanwege opheffing van het faillissement per 14 december 2021, ingekomen ter griffie op 21 december 2021;
- de akte houdende uitlating voortzetting hoger beroep van [de werknemer] , ingekomen ter griffie op 4 januari 2022;
- het bericht van het hof van 6 januari 2022 dat de mondelinge behandeling als gepland op 10 maart 2022 geen doorgang zal vinden en dat de zaak schriftelijk zal worden afgedaan.
3.De beoordeling
Het ontslag op staande voet is per brief van 25 juni 2021 schriftelijk bevestigd. Deze brief vermeldt onder meer het volgende:
aanleiding dit als fraude te zien”)heeft genoemd doet in de gegeven omstandigheden niet af aan de hierboven geduide duidelijkheid voor [de werknemer] . [de werknemer] heeft zich – in de ogen van [B.V.] - tijdens de controle zodanig misdragen/gedragen en de controle tegengewerkt dat daardoor het certificaat is ingetrokken. Daar gaat het om als aanleiding voor het gegeven ontslag en niet om ‘fraude‘ in puur strafrechtelijke zin, als door [de werknemer] in hoger beroep betoogd. Dit is geheel in lijn met het door [de werknemer] genoemde arrest, HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290.
Herstel van de arbeidsovereenkomst is in de gegeven omstandigheden echter evenmin mogelijk, nu in de visie van [de werknemer] zelf (zie verzoekschrift eerste aanleg punt 4.16) de arbeidsovereenkomst in ieder geval door de (voorwaardelijke) opzegging door de curator op 14 juli 2021, en wel op de voet van artikel 40 lid Pro Faillissementswet, rechtsgeldig is geëindigd op
31 augustus 2021, hetgeen het hof onderschrijft.
4.De beslissing
- de eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van [de werknemer] tot op de datum van het bestreden vonnis op € 240,= aan griffierecht en op € 720,= aan salaris advocaat;
- het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [de werknemer] tot op heden op € 338,= aan griffierecht en op € 1.671,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep;