Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 23 maart 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 18 augustus 2021;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de mondelinge behandeling na antwoord, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
- de bij brief van 14 september 2022 door de [geïntimeerden] toegezonden producties, die hun advocaat bij de mondelinge behandeling na antwoord bij akte in het geding heeft gebracht.
6.De beoordeling
(..) De comparanten verklaarden het navolgende: (..)
(..) welk[bedrag]
in mindering dient te worden gebracht op de vordering welke ik nog op haar heb vanwege de nog niet betaalde koopsom voor de registergoederen gelegen in [adres 1] , geleverd door mij aan wijlen haar man, [erfgenaam 4] .”
Cliënte stelde aan mij de brieven van uw kantoor van 26 en 28 november jl ter hand (..)
koopprijs schuldig gebleven”, opgenomen in de leveringsakte van 2 mei 2013. Partijen verschillen hierover van mening. [appellant] stelt dat [erflaatster 1] de koopprijs voor het geleverde perceel aan [erfgenaam 4] heeft geleend, althans dat zij zijn overeengekomen dat de vordering van [erflaatster 1] niet onmiddellijk opeisbaar was, als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro. [erflaatster 2] heeft oorspronkelijk in haar correspondentie met [appellant] gesteld dat zij dacht het ging om een schenking aan haar overleden man [erfgenaam 4] ; in deze procedure heeft zij aangevoerd dat er tussen [erflaatster 1] en [erfgenaam 4] niets meer en anders was overeengekomen dan dat de (opeisbare) koopprijs niet terstond werd betaald, maar dat dit het recht van [erflaatster 1] om op ieder willekeurig betaling te vorderen onverlet liet.
de gang van zaken” en “
de bekendheid van[ [erflaatster 2] ]
met het bestaan van de schuld waarover deze procedure wordt gevoerd” is onvoldoende gespecificeerd, nu hiermee niet wordt gesteld welke concrete feiten en omstandigheden [appellant] wenst te bewijzen die tot de door hem beoogde uitleg van de overeenkomst - dat sprake was van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd - zouden kunnen leiden. Aan het bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij.