Uitspraak
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 20 juli 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 augustus 2021;
- het H-formulier van 27 december 2021 waaruit blijkt dat de voormalig advocaat van [appellant] zich aan de zaak heeft onttrokken, waarna mr. Van den Hoven zich op 11 januari 2022 namens [appellant] als advocaat heeft gesteld;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord met producties 28, 29 en 30.
6.De beoordeling
en mij getekend is.”
.”
- a. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden per 25 oktober 2019;
- b. een verklaring voor recht dat [appellant] aan [geïntimeerde] een contractuele boete van € 29.000, verschuldigd is, en de overeengekomen vergoeding van € 1.500,-- voor het opschuiven van de leveringsdatum
- c. veroordeling van [appellant] tot betaling van de onder b genoemde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente;
- d. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.080,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente;
- zijn verplichting om een nieuwe VvE op te richten;
- zijn verplichting om gevraagde informatie over de VvE te verschaffen.
- Omdat [appellant] ondanks sommatie niet heeft meegewerkt aan levering van het appartementsrecht, was [geïntimeerde] in beginsel gerechtigd om de koopovereenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op de contractuele boete (rov. 5.6).
- Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] jegens [appellant] de verplichting op zich heeft genomen om een nieuwe VvE op te richten (rov. 5.8 tot en met 5.12).
- Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan een verplichting om informatie over de VvE te verschaffen (rov. 5.13, 5.14 en 5.16).
- Omdat van schuldeisersverzuim van [geïntimeerde] geen sprake was, was [geïntimeerde] bevoegd om de koopovereenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op de contractuele boete (rov. 5.17, eerste deel).
- Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven voor matiging van de contractuele boete (rov. 5.17, tweede deel).
- De vordering van € 1.500,-- ter zake de overeengekomen vergoeding voor het nogmaals verschuiven van de leveringsdatum is eveneens toewijsbaar (rov. 5.18).
- De vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar (rov. 5.10).
- Aan de voorwaarde waaronder de vordering in voorwaardelijke reconventie is ingesteld, is niet voldaan. Op die vordering hoeft dus niet beslist te worden (rov. 5.23).
- de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie toegewezen;
- verstaan dat de voorwaarde voor het instellen van de vorderingen in reconventie niet is vervuld;
- [appellant] in de proceskosten van de gedingen in conventie en in reconventie veroordeeld.
- a. In artikel 4 van Pro de allonge van 28 februari 2019 staat weliswaar dat de verkoper in samenspraak met de eigenaar van het bovengelegen appartement een zogeheten standaard VvE zal oprichten, maar daaraan is toegevoegd
- b. Op 8 maart 2019 is de bestaande VvE bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Dit had alleen maar zin als het de bedoeling was te voldoen aan de wettelijke bepalingen en niet (ook) een nieuwe VvE op te richten. Als vóór de levering een nieuwe VvE zou moeten worden opgericht, valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom de al bestaande VvE op 8 maart 2019 werd ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
- c. De makelaar van [appellant] (hierna: [persoon B] ), die de allonge van 28 februari 2019 heeft opgesteld, heeft bij aan [geïntimeerde] en [appellant] verzonden e-mail van 28 maart 2019 meegedeeld dat hij een bericht heeft ontvangen waaruit blijkt dat er in 1981 al een VvE is opgericht. Dit bericht wekt de indruk dat [persoon B] , toen hij de allonge opstelde, niet wist of zich niet realiseerde dat er al een VvE bestond, en dus van een onjuiste veronderstelling is uitgegaan toen hij in de allonge schreef dat een VvE moest worden opgericht. [persoon B] volstaat in de e-mail met de mededeling dat er in 1981 al een VvE is opgericht. Hij schrijft niet dat, hoewel er al een VvE bestaat, er toch nog een (nieuwe) VvE moet worden opgericht.
- d. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] gezegd dat hij niet weet waarom artikel 4 in Pro de allonge is gekomen, en dat de allonge in zijn beleving vooral betrekking had op het uitstel van de levering en de vergoeding daarvoor. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat hij niet meer weet hoe het gegaan is. Uit de uitlatingen die partijen tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben gedaan, kan niet worden afgeleid dat partijen werkelijk de oprichting van een nieuwe VvE beoogden. Dit wijst erop dat de tekst van de allonge door [persoon B] niet alleen is gemaakt in de onjuiste veronderstelling dat er nog geen VvE is bestond, maar ook zonder dat [appellant] en [geïntimeerde] zich in de betekenis en/of achtergrond van die tekst hebben verdiept.
- e. Uit niets blijkt dat [appellant] of zijn makelaar in de maanden die volgden na maart 2019, toen beiden wisten dat er een sinds 1981 bestaande VvE was en dat die VvE in maart 2019 was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, nog hebben aangedrongen op de oprichting van een (nieuwe) VvE. Toen de levering die na uitstel was voorzien op 2 september 2019 op verzoek van [appellant] nogmaals werd uitgesteld (tot 1 oktober 2019), werd in de concept-akte van levering nog altijd verwezen naar de bestaande VvE.
- f. Bij e-mail van 9 oktober 2019 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven dat er vanaf mei een discussie loopt of er een VvE bestaat, en dat gebleken is dat er een VvE bestaat die is opgericht in 1981. In deze e-mail maakt [appellant] geen melding van enige verplichting van [geïntimeerde] om een nieuwe VvE op te richten. Hij schrijft alleen dat hij geïnformeerd wil worden over “de statuten van de vereniging als ook besluiten die recent genomen zijn en een overzicht van de financiële positie”.
- Zoals het hof hierna bij de behandeling van grief 1B zal vaststellen, had [appellant] geen in rechte te honoreren belang bij de oprichting van een nieuwe VvE.
- dat geen sprake is van maandelijkse servicekosten, omdat uitgaven altijd in overleg tussen de appartementseigenaren worden gedaan;
- dat daarom ook geen sprake is van (een aandeel in) aanwezige reserve- en onderhoudsfondsen;
- dat dus ook geen sprake is van enige achterstand van de huidige eigenaar in de voldoening van VvE-bijdragen;
- dat de VvE na 31 december 2017 geen schulden uit geldlening is aangegaan.
- dat er binnen de VvE van eigenaren geen vorderingen over en weer zijn tussen beide eigenaren;
- dat het er in de praktijk op neer komt dat als één van de eigenaren bijvoorbeeld vindt dat het pand geschilderd zou moeten worden, hij de ander daarover benadert;
- dat dit altijd goed is gegaan in de 31 jaar dat [persoon C] er woont.
- schulden van de VvE;
- vorderingen en/of schulden tussen [persoon C] en [geïntimeerde] onderling;
- vorderingen en/of schulden tussen [persoon C] of [geïntimeerde] en de VvE
- door de vereniging van eigenaren aangegane verplichtingen jegens derden.
- De hoogte van de boete, 10% van de overeengekomen koopsom, is bij koopovereenkomsten ter zake woningen of appartementsrechten niet ongebruikelijk.
- Er is niet gesteld of gebleken dat de verschuldigdheid van de boete bij [appellant] tot (grote) financiële problemen heeft geleid.
- [appellant] heeft het appartementsrecht gekocht met de bedoeling het door te verkopen en kennelijk om daar financieel voordeel mee te behalen. In zoverre gaat het, vanuit [appellant] bezien, om een zakelijke transactie.
- [appellant] werd bij het sluiten van de koopovereenkomst bijgestaan door een makelaar en [appellant] heeft de notaris ingeschakeld die de koopakte en de concept-akte van levering heeft opgesteld.
- De weigering van [appellant] om het appartementsrecht af te nemen, heeft aan de zijde van [geïntimeerde] geleid tot juridische kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand en voor de onderhavige procedure bij de rechtbank en bij dit hof.
- De weigering van [appellant] om het appartement af te nemen, heeft ertoe geleid dat [geïntimeerde] de overeengekomen koopsom niet heeft ontvangen en heeft moeten proberen het appartement op andere wijze te gelde te maken.