Belanghebbende, een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds, verzocht voor de jaren 2002/2003 tot en met 2005/2006 om teruggaaf van dividendbelasting. De inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het gerechtshof.
Het hof ging veronderstellenderwijs uit van een vergelijkbaarheid met een open fonds voor gemene rekening. Volgens artikel 1, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965 rust de belasting op degene die gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen. Belanghebbende diende aannemelijk te maken dat de ingehouden dividendbelasting ten laste van haar was gegaan.
Belanghebbende overlegde echter geen dividendnota’s, ondanks meerdere verzoeken en waarschuwingen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of en hoeveel dividendbelasting was ingehouden. Het hof oordeelde dat dit gebrek aan bewijs de teruggaafverzoeken blokkeert. Het hof hoefde daardoor niet te beoordelen of belanghebbende objectief vergelijkbaar was met een fiscale beleggingsinstelling.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof kende geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toe.