Conclusie
1.Overzicht
dividend stripping; volgens de belanghebbende gaat het om gewone opbrengstverhogende arbitrage.
dividendstripping-bepaling) en (iii) de mogelijkheid om na een informatie-beschikking gebreken in de administratie nog bewijsrechtelijk zinvol te herstellen tot voorkoming van bewijslastverschuiving en verzwaring. Aan vraag (ii) komt u overigens niet toe als u ’s Hofs primaire oordeel deelt dat de belanghebbende niet de opbrengstgerechtigde was en dus niet bevoegd om de dividendbelasting te verrekenen met haar vennootschapsbelasting.
uiteindelijkgerechtigde tot het dividend? De formeelrechtelijke vraag is of de Inspecteur haar terecht een informatiebeschikking en daarmee omkering en verzwaring van haar bewijslast heeft opgelegd ter zake van de Vpb-jaren 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013 wegens verzaking van haar administratie- of bewaarplicht.
broker[D] driemaands
futuresgebaseerd op die aandelen, en leende de aandelen uit aan [D] (
stock lending). Zij ontving voor haar uitlening
cash collateral(stortingen in Amerikaanse dollars als onderpand) en een
stock lending fee. Volgens de belanghebbende keerden de aandelen rond hun dividenddata steeds kortstondig terug in de eigendom van de belanghebbende door hun registratie in belanghebbendes effectendepot bij de Franse
custodian[B] op basis van rechtshandelingen verricht tussen haar aandeelhouder [D] en haar, waarbij zij vertegenwoordigd werd door [D] .
custodian bank/het depot; niet de verhouding tussen de vennootschap en de zeggenschap- of winstgerechtigden.
uiteindelijkegerechtigde was tot de door haar ontvangen dividenden (art. 25(2)(1e volzin) Wet Vpb). Bij deze vraag (is de belanghebbende (niet) de uiteindelijk gerechtigde?) ligt de bewijslast bij de Inspecteur, aldus expliciet de wetsgeschiedenis.
Market makerarrest, noch bij die van het officiële OESO-commentaar op de verdragsterm
beneficial owner.
uiteindelijkegerechtigdheid voor rekening van de Inspecteur. Dat is alleen anders als de bewijslast is omgekeerd, maar dat is niet het geval voor de litigieuze jaren 2007 en 2008. Ik meen daarom dat de door het Hof geconstateerde feitelijke onduidelijkheden die hij bij de primaire vraag terecht voor rekening van de belanghebbende heeft gelaten, bij de subsidiaire vraag voor rekening van de Inspecteur komen en dat zonder meer motivering dan gegeven niet begrijpelijk is dat dat in uitkomst geen verschil maakt, gegeven de door het Hof in zijn primaire oordeel uiteengezette talrijke feitelijke onzekerheden en onduidelijkheiden. Ik lees in ’s Hofs uitspraak niet dat en hoe de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [D] een in mindere mate verrekeningsgerechtigde was dan de belanghebbende, maar alleen dat de Inspecteur dat gesteld heeft. Ook volgt mijns inziens uit de door het Hof geconstateerde vergaande invloed van [D] op de gang van zaken bij de aandelendepotregistratie en de dividendboekingen bij de belanghebbende niet dat de dividenden feitelijk ten goede kwamen aan [D] of dat de belanghebbende niet vrijelijk kon beschikken over de (veronderstellenderwijs wél) door haar genoten dividenden, noch dat zij in samenhang met het door haar ontvangen dividend een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties. Het Hof lijkt veeleer ook bij zijn subsidiaire oordeel (tegen)bewijs van de belanghebbende te verlangen.
2.De feiten en het geding in de feitelijke instanties
De feiten
special purpose companygevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Enig aandeelhouder van [C] Ltd is [D] Plc ( [D] , voorheen [E] Ltd) eveneens gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De belanghebbende is een
check-the-boxdeelneming van [D] voor Amerikaanse belastingdoeleinden.
broker dealervan [X] en lid van diverse effectenbeurzen. De belanghebbende is geen lid van enige effectenbeurs.
employment company, die werknemers ter beschikking stelt of uitleent aan vennootschappen van de [X] groep. [D] heeft een mandaat om de voor de belanghebbendes bepaalde handelsstrategie uit te voeren; de werknemers die zich daarmee bezig houden, doen dat voor [D] , die daarmee haar mandaat vervult.
employment company. Haar jaarrekening is vanaf haar oprichting jaarlijks gecontroleerd door [O] accountants en steeds voorzien van een goedkeurende verklaring.
brokerverkopen van driemaands
futuresgebaseerd op de aandelen die (dus) vier keer per jaar moesten worden vernieuwd (‘doorgerold’) om het hele jaar te
hedgen, en het uitlenen van de aandelen aan [D] (
securities lendingof
stock lending), een en ander om het rendement te verhogen en de financieringskosten te drukken. De belanghebbende ontving voor haar uitlening
cash collateral(stortingen in Amerikaanse dollars als onderpand) en een
stocklending fee.
Overseas Securities Lender’s Agreement(OSLA).
collateralhet volgende ontleend aan stukken van de belanghebbende:
New Product Approval(NPA), gedateerd 14 maart 2006. Een brief van de belanghebbende aan de Inspecteur van 2 april 2014 vermeldt over die NPA onder meer het volgende:
futureposities.
futuresverkocht. In april 2006 kocht zij een eerste tranche aandelen in AEX-fondsen en verkocht zij
futuresmet die aandelen als onderliggende waarde. In januari, februari, april, juli en december 2007 heeft zij negen pakketten aandelen in AEX-fondsen gekocht en is zij via [D] als
brokerdaarmee samenhangende
futurescontracten aangegaan met de beurs als wederpartij. In juli 2010 heeft zij nog eens twee pakketten aandelen gekocht en daarmee samenhangende
futuresverkocht. De waarde van de gekochte aandelen bedroeg einde boekjaar 2007/08 ruim € 6 miljard en einde boekjaar 2009/10 ruim € 7 miljard.
trade approvalswaarmee [D] de belanghebbende toestemming vroeg voor de koop van aandelen en de verkoop van
futures. De dagelijkse analyse en operationele beslissingen ter zake van de
futureswaren volgens belanghebbendes aanvullend beroepschrift (zie r.o. 2.6.3 Hof) contractueel gedelegeerd aan [D] . Belanghebbendes bestuur gaf bij het doorrollen van de
futurescontracten goedkeuring aan de
traders; ook die goedkeuringen zijn verstrekt aan de Inspecteur.
futuresheeft de belanghebbende verklaard dat zij de aandelen van [G] kocht en dat [D] , als [D] voor de belanghebbende
futurescontracten aanging, contact had met een handelaar van [F] . Volgens de belanghebbende wist [D] niet voor wie de [F] handelaar optrad.
custodianbank [B] SA in Frankrijk ( [B] ). De litigieuze AEX-aandelen stonden op die effectendepotrekening. Tot de processtukken behoort een
Custody Agreementvan 18 april 2006 tussen de belanghebbende en [B] . De belanghebbende heeft de Inspecteur microfiches uit de administratie van [B] verstrekt met primaire vastleggingen van mutaties in het effectendepot.
record datesop belanghebbendes depotrekeningen in 2007/08 gehouden AEX-aandelen, (ii) de daarop op die data uitgekeerde dividenden en (iii) de daarop ingehouden dividendbelasting.
securitiesin die depots exclusief de belanghebbende toebehoren.
dividend stripping-bepaling art. 25(2) Wet Vpb: uit de administratie hoeft niet te volgen dat die bepaling niet van toepassing is, nu volgens de wetsgeschiedenis de Inspecteur moet bewijzen dat zij wél van toepassing is.
Dividend strippingis bovendien een juridische kwalificatie en geen feitelijk gegeven. Van belanghebbendes aandelenvoorraadadministratie kan volgens de Rechtbank niet gezegd worden dat zij niet voldoet aan de in art. 52 AWR Pro gestelde eisen. Evenmin heeft de belanghebbende haar bewaarplicht geschonden. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat zij ter zake van de
stock lendingniet aan haar administratieplichten heeft voldaan of dat zij te dier zake relevante bescheiden ten onrechte niet heeft bewaard. Ook ter zake van de
cash collateraladministratie achtte de Rechtbank niet aannemelijk dat die onvoldoende controleerbaar is of gebreken vertoont. Dat de belanghebbende slechts SWIFT-
messagester zake van de aandelentransacties heeft overgelegd, acht de Rechtbank geen schending van haar administratieplicht, nu haar administratie voldoende controlemogelijkheden ter zake van de dividenden biedt; de Inspecteur heeft geen gebreken aannemelijk gemaakt. De
futurestransacties werden gedetailleerd vastgelegd.
custodian[B] op naam van de belanghebbende stond. Vaststaat dat dat effectendepot is geopend en aangehouden op naam van de belanghebbende, dat het depot van de belanghebbende was en dat de aandelen zich op de ex-dividenddata in dat depot bevonden. [B] heeft bovendien verklaard dat de belanghebbende voortdurend de enige belanghebbende is geweest tot het op haar naam staande depot en de daarin geregistreerde aandelen. De Rechtbank achtte daarom aannemelijk dat de belanghebbende op de dividenddata juridisch eigenaar was van de aandelen en uit dien hoofde gerechtigd tot de opbrengsten ervan. Ook achtte zij aannemelijk dat de dividenden onderdeel waren van haar winst en dat zij dus gerechtigd was tot de dividenden ter zake waarvan zij de dividend-belasting wil verrekenen. Met de belanghebbende meent de rechtbank dat de gedingstukken geen steun bieden aan de stelling dat zij slechts optrad als lasthebber of vertegenwoordiger voor de inning van de dividenden.
dividend strippingging, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een wederpartij bij de aandelentransacties die in mindere mate dan de belanghebbende gerechtigd was tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting of van een tegenprestatie of samenstel van rechtshandelingen als bedoeld in art. 25(2)(3) Wet Vpb. Evenmin heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende
in fraudem legisheeft gehandeld, nu hij niet heeft bewezen dat zij de aandelen heeft overgenomen van een beperkt(er) verrekeningsgerechtigde wederpartij; een belastingbesparing is niet komen vast te staan, en evenmin dat het gaat om een situatie waarin een uiteindelijk gerechtigde van de aandelen zijn positie heeft behouden of een vergelijkbare positie heeft verkregen. Nu de wetgever met art. 25(2) Wet Vpb een uitputtende antimisbruikmaatregel wilde treffen, bestaat daarbuiten geen ruimte voor
fraus legis, zodat verrekening niet in strijd is met doel en strekking van die bepaling. Evenmin is sprake van strijd met doel en strekking van de Wet Vpb als geheel, nu zich geen onaanvaardbare grondslagerosie voordoet. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het doorslaggevende motief voor het aangaan van de transacties is gelegen in belastingverijdeling of het behalen van belastingvoordeel.
FutD2018-1225 heeft de uitspraak van de Rechtbank als volgt becommentarieerd:
NTFR2018/1613) meent dat de Rechtbank de informatiebeschikking terecht heeft vernietigd:
nietals ‘uiteindelijk gerechtigde’ kan worden beschouwd, zijn volgens het Hof niet bedoeld als uitputtende invulling van die term. De wetgever heeft de rechter ruimte gelaten om bij de toepassing van art. 25 Wet Pro Vpb het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ nader te bepalen, waarbij de situaties vermeld tijdens de parlementaire behandeling van art. 25 Wet Pro Vpb richting geven, evenals paragraaf 12 van het commentaar op artikel 10 van Pro het OESO-Modelverdrag.
loaned stocktelkens voor korte tijd terug te krijgen voorafgaand aan een dividenduitkering. Een bruto dividendvervangende betaling levert voor de belanghebbende een liquiditeitsvoordeel op ten opzichte van telkens aflossen en later dividendbelasting verrekenen met later te betalen vennootschapsbelasting, terwijl zij bovendien niet zou worden geconfronteerd met de juridische onzekerheid die verrekening metbrengt en zij haar
stocklending feeniet zou hoeven missen gedurende die paar weken aflossing.
FutD2020-1558 wijst er onder meer op dat als belanghebbendes kennelijk succesvolle strategie inderdaad onder de sturende invloed van een groepsmaatschappij stond, de logische gevolgtrekking leek dat de met die strategie gegenereerde winst dan toch ook grotendeels aan die groepsmaatschappij toegerekend zou moeten worden en - net als de dividenden - niet aan de belanghebbende:
NTFR2020/2016) tekende bij de Hofuitspraak onder meer het volgende aan:
NLF2020/1329) becommentarieerde de hofuitspraak als volgt:
3.Het geding in cassatie
quod non, dan nog is onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel dat een dergelijke titel niet ligt in de OSLA in samenhang met de NPA’s en de bestuursbesluiten. Het Hof miskent dat aflossing van een
stock loaneen eenzijdige handeling van [D] kan zijn en dat er voldoende bewijs is van een titel, ook als wordt uitgegaan van ‘s Hofs onjuiste interpretatie van de OSLA.
stock loanstot stand te brengen, (ii) geldige titels bestonden voor de tussentijdse overdrachten van de aandelen, en (iii) aflossen en uitlenen wel degelijk behoorden tot de dagelijkse operationele werkzaamheden die door [D] op grond van de
Customer Agreementwerden uitgevoerd. Het Hof heeft zijn anders luidende oordeel onvoldoende gemotiveerd. Hij heeft er ten onrechte betekenis aan gehecht dat
borrowing requestsniet werden vastgelegd. Hij heeft in elk geval de rechtsgeldigheid van de eerste retro-overdracht van de aandelen miskend. Zijn oordeel dat [D] niet gemachtigd zou zijn om de transactie tot stand te brengen is irrelevant omdat aflossing een bevoegdheid van [D] is die onder de OSLA eenzijdig kan worden uitgeoefend. Het Hof had ex art. 10:2 BW Pro het internationaal privaatrecht moeten toepassen en had moeten oordelen dat de mandaatverhouding ex art. 10:125 BW Pro en art. 6 Haags Pro Vertegenwoordigingsverdrag werd beheerst door Engels recht. Zelfs als [D] geen toereikend mandaat van de belanghebbende had voor het telkens aflossen en uitlenen van de aandelen, had het Hof op basis van het op het mandaat toepasselijke recht moeten vaststellen of de door belanghebbende aangedragen feiten bevestiging van de transacties inhielden.
BNB1994/217 (
market maker) het uitgangspunt, waaruit volgt dat een persoon uiteindelijk gerechtigd is tot de dividenden als hij (i) eigenaar is van de aandelen, (ii) vrijelijk over de dividenden kan beschikken, en (iii) bij het ontvangen van de dividenden niet als zaakwaarnemer of lasthebber optrad. Het Hof heeft niet op basis van die criteria geoordeeld en is dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de belanghebbende juridisch eigenaar was van de aandelen en niet als zaakwaarnemer of lasthebber optrad, had het Hof moeten beoordelen of zij vrijelijk over de dividenden kon beschikken, wat alleen niet het geval zou zijn als op haar een contractuele of wettelijke verplichting rustte om de dividenden door te betalen, en uit de feiten volgt niet dat een dergelijke verplichting bestond. Uit § 12 van het commentaar bij art. 10 OESO Pro Modelbelastingverdrag, versies 1977, 2003 en 2014 volgt dat géén
beneficial ownerzijn een intermediair zoals een
agentof
nomineeof een
conduit companyvan wie de bevoegdheid om het dividend te genieten en gebruiken wordt beperkt door een contractuele of wettelijke verplichting om het dividend door te geven aan een ander. Deze criteria komen op hetzelfde neer als die in HR
BNB1994/217, zodat dat arrest richtinggevend is voor de uitleg van ‘uiteindelijk gerechtigde’ in art. 25(2)(1e volzin) Wet Vpb. Gegeven de brief van de Staatssecretaris [10] aan de Tweede Kamer brengt het vertrouwensbeginsel in elk geval mee dat aan ‘uiteindelijke gerechtigde’ geen ruimere betekenis wordt toegekend dan die onder de belastingverdragen. Zelfs als HR
BNB1994/217 niet meer bepalend is, heeft het Hof rechtskundig onjuist en onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk geoordeeld dat de belanghebbende economisch geen belang had bij aflossing vlak voor dividendbetaling.
BNB2017/220). ’s Hofs (impliciete) oordeel dat stukken die niet bestaan en nooit bestaan hebben, toch deel moeten uitmaken van de administratie berust op onjuiste uitleg van art. 52 AWR Pro. Ook onjuist is zijn oordeel dat zij haar administratieplicht heeft verzaakt omdat in belanghebbendes administratie niet zijn vastgelegd stukken die tot de administratie van [D] behoren. Zijn oordeel dat van de door de belanghebbende gestelde aankoop van aandelen geen vastleggingen zijn overgelegd is onbegrijpelijk in het licht van de feiten. Het oordeel dat de opdrachten aan [G] tot aankoop van de aandelen tot de administratie van belanghebbende moeten behoren is innerlijk tegenstrijdig. Zou het Hof menen dat de administratie ondeugdelijk was omdat gegevens slechts bewaard zijn gebleven in TAPS en niet in het handelssysteem, dan getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting. Gegevens mogen volgens art. 52(5) AWR worden overgezet van de ene gegevensdrager op de andere als daarbij geen inhoudelijke informatie verloren gaat. ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes administratie (te) beperkt toegankelijk is, is onvoldoende gemotiveerd. Zijn oordeel dat primaire vastlegging van de aandelen- en
futurestransacties in de administratie ontbreekt, dan wel uit de administratie niet zou blijken dat belanghebbende die transacties is aangegaan, is in het licht van de feiten en stukken onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
BNB2015/81).
(viii)is ingetrokken.
ten eerstedat de belastingplichtige slechts verrekeningsgerechtigd is voor zover de dividendbelasting ziet op bestanddelen van diens winst (grondslagvereiste). Het Hof heeft in zijn toetsingskader het grondslagvereiste veronachtzaamd en daardoor ten onrechte ook de door de Inspecteur op dat punt ingenomen standpunten, waardoor hij de belanghebbende een te lichte bewijslast heeft opgelegd. Als er naast de juridische eigenaar (de belanghebbende) een economische eigenaar van de aandelen is ( [D] ), behoort het dividend tot de fiscale winst van de laatste en niet tot die van de juridische eigenaar. Het grondslagvereiste dwingt dus tot een oordeel over de economische eigendom van de aandelen, dat het Hof niet heeft gegeven. Het dividend was volgens de Staatssecretaris naar Nederlandse fiscale maatstaven bestanddeel van de winst van [D] en dus niet van die van de belanghebbende.
verweertegen
principaal middel (i)stelt de Staatssecretaris dat het Hof terecht de bewijslast van het als juridisch eigenaar gerechtigd zijn tot de dividenden op de belanghebbende heeft gelegd. Of dat aannemelijk is gemaakt, is ter beoordeling aan de feitenrechter; dat het Hof in de gegeven omstandigheden meer bewijs verlangde dan enkel depotregistratie, acht de Staatssecretaris een adequate invulling van de eis van aannemelijk maken. Voor ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende het bewijs van juridische eigendom niet heeft geleverd, acht de Staatssecretaris niet relevant welk civiel recht wordt meegewogen, zodat hij middel (i) ongegrond acht. Ter zake van belanghebbendes betoog dat indepotplaatsing naar Frans recht voldoende is om juridische eigendom aan te nemen, stelt de Staatssecretaris dat ook een onderhoudseis bestaat. De
custodianmoet het depot onderhouden en in geschil is wat die onderhoudseis inhoudt: slechts het in de lucht houden van het depot (de belanghebbende) of ook de uitvoering van opdrachten tot depotmutaties (de Inspecteur). Vragen waarvan de beantwoording afhankelijk is van buitenlands recht, vereisen onderzoek door de feitenrechter. Of het Hof dat heeft gedaan, is onduidelijk. Mogelijk is dat een motiveringsgebrek, maar tot cassatie kan dit volgens de Staatssecretaris niet leiden omdat voldoende aannemelijk is dat [D] steeds economisch eigenaar van de aandelen bleef.
principaal middel (ii)dat ‘s Hofs oordeel dat geen rechtsgeldige titel van eigendomsoverdracht aannemelijk is geworden, geen rechtskundig vereiste voor eigendomsoverdracht inhoudt, maar een bewijsoordeel dat inhoudt dat aldus de juridische eigendom van de aandelen aannemelijk gemaakt had kunnen worden, maar dat de belanghebbende die mogelijkheid niet heeft weten te benutten. Als rechtsgeldige titels ontbreken, heeft de belanghebbende de overdracht van juridische eigendom in elk geval niet met zulke titels aannemelijk gemaakt. Voor het overige is ‘s Hofs oordeel op dit punt feitelijk en niet onbegrijpelijk.
principaal middel (iii)brengt de Staatssecretaris in dat het de vaststelling van feiten bestrijdt of een onderzoek naar feiten vergt waarvoor in cassatie geen ruimte bestaat.
principaal middel (iv)middel meent de Staatssecretaris dat ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet uiteindelijk gerechtigd was, gebaseerd is op de correcte materiële maatstaf en voor het overige begrijpelijk, toereikend gemotiveerd en van feitelijke aard is.
principaal middel (v)betoogt de Staatssecretaris dat Het Hof de administratie op basis van het juiste toetsingskader en gemotiveerd en terecht heeft verworpen. De door de belanghebbende opgesomde redenen waarom zij meent dat het Hof ten onrechte gebreken in de administratie zag, zijn alle van feitelijke aard en een herhaling van het hogere beroep. ’s Hofs oordeel op dit punt acht de Staatssecretaris niet onbegrijpelijk.
principaal middel (vi)acht de Staatssecretaris de omkering en verzwaring van de bewijslast met het Hof niet disproportioneel in verhouding tot het belang van de gebreken.
principaal middel (vii)erkent de Staatssecretaris dat het Hof niet zichtbaar de mogelijkheid heeft geboden de administratieve gebreken te herstellen, maar hij meent dat dat verklaard kan worden doordat het Hof voor het litigieuze jaar 2007/2008 de navordering ook zonder omkering van bewijslast al terecht achtte. Denkbaar is dat omkering van de bewijslast ook voor de latere jaren niet nodig is, zodat het bieden van herstelmogelijkheden zinloos is en grieven tegen het niet bieden daarvan zonder belang zijn. Bovendien kunnen de gebreken niet hersteld worden: wat niet bewaard is, kan niet alsnog worden opgeleverd; een te laat gesloten overeenkomst kan niet alsnog tijdig gesloten worden, de depotregistraties bleken toch al niet uit belanghebbendes administratie (ook de
public accountantachtte de aandelenvoorraadadministratie oncontroleerbaar) en niet bestaand bewijs van aankoop van aandelen en verkoop van
futureskan niet alsnog gaan bestaan. Het stellen van een hersteltermijn acht de Staatssecretaris in die omstandigheden zinloos.
ordinary course of businesshandelen door [D] ) niet werd vervuld.
principaal middel (x)erkent de Staatssecretaris dat het toetsingskader voor beoordeling van de aanwezigheid van een vaste inrichting als rechtskundig geduid kan worden, maar hij acht dat toetsingskader in casu niet aan de orde en ’s Hofs toetsingskader bovendien correct. ‘s Hof oordeel dat binnen dat toetsingskader feitelijk niet kan worden vastgesteld of sprake is van een vaste inrichting acht hij deugdelijk, begrijpelijk gemotiveerd en in cassatie onaantastbaar.
futuresde economische eigendom van de aandelen niet had; hij heeft die stelling verworpen in r.o. 6.18.1. De incidentele klacht steunt op de gedachte dat de belanghebbende de dividenden ontving onder de verplichting die door te geven aan [D] of [F] , maar het Hof heeft alleen vastgesteld dat de belanghebbende de dividenden ontving; niet dat zij een doorbetalingsverplichting had. Over de verwerking van de dividenden in belanghebbendes aangifte en jaarrekening, merkt zij op dat het onderscheid tussen waardemutaties en dividend voor de commerciële noch de fiscale winstbepaling van belang is; beide zijn belast.
record datesin belanghebbendes depot bevonden is gebaseerd op een aan hem voorbehouden weging van de bewijsmiddelen en niet onbegrijpelijk.
BNB2001/196 (zie 6.17 hieronder) en de daaraan voorafgaande conclusie en Hofuitspraak.
record datesin belanghebbendes depot bij [B] geregistreerd waren met name gebaseerd op verklaringen van [B] , hetgeen het Hof zonder schending van enige rechtsregel kon doen. Dat het Hof in het midden laat welke andere gronden nog aan zijn oordeel hebben bijgedragen, doet niet ter zake. Anders dan onderdeel 9 van de repliek incidenteel veronderstelt, gaat de motiveringsplicht van de feitenrechter niet zover dat ook gronden vermeld moeten worden die niet nodig zijn om een feitelijk oordeel te dragen. ’s Hofs feitelijke oordeel in r.o. 6.5 is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk en daarmee onaantastbaar in cassatie.
4.De Wet
5.‘Rechtstreeks gerechtigd tot de opbrengst van aandelen’ (art. 1 Wet Pro Divb)
lex societatis.”
custodian bank/het depot, maar niet de verhouding tussen de vennootschap en de zeggenschap- of winstgerechtigden, dus niet vraag wie gerechtigd is tot de dividenden uitgekeerd door de AEX-vennootschappen.
uiteindelijk(opbrengst)gerechtigde was in die zin, kunt u in het midden laten of in ’s Hofs uitspraak voldoende feitelijke steun bestaat voor het oordeel dat de belanghebbende niet opbrengstgerechtigd was in de zin van art. 1 Wet Pro Divb.
6.Uiteindelijk gerechtigde
Parlementaire geschiedenis
dividend strippingin de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. De MvT vermeldde daarover: [22]
dividend strippingwerden uitgesteld [23] na kennelijk hevig verzet door het bedrijfsleven. De term ‘uiteindelijk gerechtigde’ is uiteindelijk op advies van de Raad van State en van de Commissie Van Rooy [24] niet opgenomen in art. 1 Wet Pro Divb, maar - in 2002 - in de bepalingen over vrijstelling, teruggaaf en verrekening van dividendbelasting in de wetten op de dividendbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. [25] De MvT bij art. 4(7) Wet DivB vermeldt over deze wijziging in de aanpak van
dividend stripping: [26]
omdathij economische eigenaar is. Dat kan niet de bedoeling zijn: met ‘de daadwerkelijk economische genieter’ is hier kennelijk bedoeld de ontwijker van de dividendbelasting: de persoon die het economische belang bij de aandelen, althans bij het dividend blijft houden en die feitelijk dus de opbrengstgerechtigde is, maar die niet of slechts beperkt verrekeningsgerechtigd is. Het is dus niet zo dat die persoon geen beroep op verrekening kan doen, zoals deze passage suggereert; dat kan hij wel degelijk als hij ook zonder tussenschuiving van de dividendwasstraat verrekeningsgerechtigd zou zijn en de wasstraat niet-verrekeningsgerechtigd wordt bevonden.
dividend strippingwaartegen de maatregel is gericht, en op de bewijslastverdeling:
uiteindelijkegerechtigdheid toekomt – indien u anders dan het Hof meent dat de belanghebbende de opbrengstgerechtigde is – is dus niet vereist dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de belanghebbende
dividend stripping-motieven zou hebben gehad; hij hoefde slechts aannemelijk te maken dat de aandelen- en
futurestransacties waarbij zij betrokken was, voldeden aan de objectieve kenmerken opgenomen in art. 25(2) Wet Vpb.
BNB1994/217 (
Market maker) [35] betrof een Britse
market makerin onder meer aandelen Koninklijke Olie, die na dividenddeclaratie, maar vóór de betaaldatum dividendbewijzen Koninklijke Olie had gekocht voor 80% van de nominale waarde. Zij wenste onder het belastingverdrag met België teruggaaf van 10%-punten van de op de dividenden ingehouden Nederlandse dividendbelasting ad 25%; per saldo zou zij aldus (100 - 25 + 10 =) 85% van het bruto dividend ontvangen: 5 punten winst. U overwoog als volgt:
BNB1994/217:
Market makerarrest; PJW] zijn belang heeft behouden voor alle situaties die niet door de nieuwe wettelijke regels worden bestreken. De wetgever heeft namelijk niet de gewezen jurisprudentie opzij gezet, maar een aanscherping van deze jurisprudentie in de wet vastgelegd.
-dividend stripping-maatregelen:
Market maker-arrest HR
BNB1994/217, gewezen vóór de invoering van het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ in art. 10 Wet Pro DivB, heeft u als cumulatieve eisen voor uiteindelijk gerechtigdheid in de zin van art. 10 OESO Pro-Modelverdrag gesteld dat (i) de betrokkene eigenaar is van de dividendbewijzen, (ii) vrijelijk over de dividendbewijzen en, na inwisseling, over de dividenduitkering kan beschikken, en (iii) bij het inwisselen van de bewijzen (bij het ontvangen) niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. U heeft aldus kennelijk aangesloten bij het officiële commentaar bij het OESO-modelbelastingverdrag. Ook het HvJ EU heeft zich in de boven 7.4 geciteerde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 [de Deense
beneficial owner-zaken; PJW] aangesloten bij het officiële OESO-Commentaar op het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’. Dat Hof heeft voor de toepassing van de Interest/royaltyrichtlijn en de Moeder/dochterrichtlijn gewezen naar de entiteit die het economische genot van de interest/het dividend heeft en derhalve vrij kan beslissen over het gebruik ervan.
Market maker-arrest, is in beide benaderingen de vrije beschikkingsmacht over de dividenden een vereiste.”
beneficial owner-arresten van het HvJ EU op de uitleg van de nationaalrechtelijke term ‘uiteindelijk gerechtigde’: [42]
market maker, thans aan de Amsterdamse optiebeurs. Zij kocht de dag vóór dividenddeclaratie aandelen à ƒ 166,50 in een beursvennootschap en tegelijk
deep in the moneyputopties voor ƒ 13 per stuk (uitoefenprijs ƒ 175). De volgende dag werd het dividend vastgesteld op ƒ 4,85 en werden de putopties uitgeoefend. De
market makergenoot aldus per saldo per aandeel ƒ 175 – ƒ 166,50 – ƒ 13 + ƒ 4,85 = ƒ 0,35. Zij wenste verrekening van de ingehouden 25% dividendbelasting (ƒ 1,21 per aandeel). De Inspecteur weigerde omdat hij meende dat de market maker een instrument was van niet-verrekeningsgerechtigde aandeelhouders die op deze wijze hun dividenden ontdeden van Nederlandse dividendbelasting zonder enig verlies aan belang bij hun aandelen. Die analyse was vermoedelijk juist, maar misbruikelijke bedoelingen van die aandeelhouders konden volgens u niet toegerekend worden aan de
market maker, die alleen maar met haar eigen winkeltje bezig was. U overwoog:
dividend strippingnoodzakelijk waren. Hij trof maatregelen op basis van de aanbevelingen in het kort daarna gepubliceerde rapport van de commissie-Van Rooy, [47] hetgeen leidde tot de invoering, in 2002, van onder meer het boven (4.2) geciteerde art. 25(2) Wet Vpb.
7.Beoordeling van de principale middelen
Primair: opbrengstgerechtige (middelen (1) t/m (iii))
uiteindelijkegerechtigdheid is het andersom, zo bleek uit de boven geciteerde wetsgeschiedenis.
equity swaps(commercieel) c.q. ‘waardevermeerderingen effecten’ (fiscaal). Ook hier geldt dat onduidelijkheid over wat de belanghebbende nu precies ontvangen heeft (dividend, dividendvervangende betaling, winst op
derivatives, dienstverlenings
feeof nog iets anders), voor rekening komt van degene op wie de bewijslast rust,
i.e.de belanghebbende, die bovendien de administratieplichtige is.
stock loans. In r.o. 6.11.5.3 oordeelt het Hof dat die tegenstrijdige stellingen niet bijdragen aan de aannemelijkheid van belanghebbendes betoog. In de r.o. 6.11.3.1 t/m 6.11.4.2 oordeelt hij na minutieus documentenonderzoek dat de OSLA, de NPA’s en belanghebbendes bestuursbesluiten te vaag, althans te algemeen (‘slechts een kader’) zijn om de conclusie van concrete en specifieke aandelenoverdrachten op te baseren, en dus ook om concrete opbrengst-gerechtigdheid ter zake van bepaalde dividenden op te baseren. In r.o. 6.11.4.2 en 6.11.5.1 constateert het Hof dat de OSLA dividendvervangende betalingen (‘manufactured dividends’) voorop stelt en niet
recallsof eenzijdige aflossingen. Het Hof heeft uiteindelijk noch
recalls, noch eenzijdig aflossen aannemelijk geacht (r.o. 6.11.5.2 en 6.11.5.3). Evenmin bewezen achtte het Hof de stelling dat (ook) belanghebbendes activiteiten op bestuursniveau geheel waren uitbesteed aan [E] (r.o. 6.11.6 en 6.11.7.1 en 6.11.7.2), gegeven met name het ontbreken van een
operating agreement, van
borrowing requestsen van gedetailleerde primaire vastleggingen van de gestelde
stock loanszoals
[BB] chatsof e-mails.
at largeuitmaakte hoe en waar de dividenden geboekt werden, dus dat in wezen [D] over de bestemming van de dividenden beschikte. Dat zegt het Hof met zoveel woorden in r.o. 6.15.10:
uiteindelijkeopbrengstgerechtigde is. Ik ga er volledigheidshalve op in.
equity swaps, en dat “de met elkaar samenhangende circulaire transacties bewerkstelligen dat AEX-aandelen afkomstig uit beperkt verrekeningsgerechtigde jurisdicties door middel van - afgezien van het fiscale voordeel - betekenisloze transacties werden toebedeeld aan belanghebbende als een in beginsel onbeperkt verrekeningsgerechtigd lichaam.”
Customer agreementen de OSLA boden en het ontbreken van aanwijzingen van betrokkenheid van belanghebbendes bestuur bij de invulling van dat ruime kader. Het Hof contrasteert belanghebbendes (niet-)betrokkenheid bij dat ‘telkens aflossen’ met haar betrokkenheid bij het doorrollen van de
futures, waarvoor belanghebbendes bestuur steeds ‘approval’ moest geven. Het Hof acht kennelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de twee ‘petten’ van [D] (aan beide kanten van de gestelde transacties met de belanghebbende) niet uit elkaar te houden waren en dat in wezen alleen [D] uitmaakte waar de dividenden vielen. U zie r.o. 6.15.5.2, 6.15.6, 6.15.7.1, en met name de eerder door het Hof genoemde 6.15.8.1 en 6.15.8.2, die specifiek over het boeken van de dividenden gaat, alsmede r.o. 6.15.9, overwegende “(…) dat het niet goed mogelijk is om vast te stellen welk onderdeel van [X] een specifieke rechtshandeling heeft verricht. Bij de controle van de jaarrekening van belanghebbende is immers vastgesteld dat de administratie van [X] is georganiseerd op basis van de operationele processen rondom financiële producten en niet per juridische tot de [X] -groep behorende entiteit.”
Market maker-arrest gelden en dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de belanghebbende niet vrijelijk over de dividenden kon beschikken maar als lasthebber handelde. Met de belanghebbende meen ik dat het Hof niet zichtbaar een concretere maatstaf hanteert dan alleen de term ‘uiteindelijk gerechtigde’ zelf en zich niet zichtbaar baseert op de criteria van het
Market makerarrest, van het OESO-Model-commentaar of op andere criteria tot invulling van uiteindelijke gerechtigdheid.
uiteindelijkegerechtigdheid voor rekening van de Inspecteur, aldus expliciet de wetsgeschiedenis en trouwens ook het Hof (zie r.o. 6.3.5). Dat is alleen anders als de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, maar dat is niet het geval voor de litigieuze jaren 2007 en 2008: uit r.o. 3.3 blijkt dat het geschil over de informatiebeschikking alleen de over 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013 op te leggen (navorderings)aanslagen betreft.
audit trailontbreekt. Ondanks zijn uitvoerige en gedetailleerde studie van de door de belanghebbende overgelegde documenten kon het Hof geen wijs worden uit de vraag wie nu precies wat waar boekt op basis van welke bevoegdheid in welke overeenkomst/mandaat/besluit.
BNB2017/92. [48]
BNB2015/81 [49] en HR
BNB2020/95 [50] ), lijkt mij dat dat in casu niet mogelijk is zonder feitelijk onderzoek, nl. naar de vraag of bewijsrechtelijk zinvol herstel nog mogelijk is. Het lijkt mij wel wenselijk dat u explicieteert dat deze arresten over de mogelijkheid van herstel, die over de informatieverstrekkingsplicht gingen, ook gelden als het om de administratieplicht gaat. Uit de zaak HR BNB 2016/2 [51] blijkt weliswaar dat ook voor omkering van de bewijslast wegens administratiegebreken een informatiebeschikking vereist is, maar niet dat administratiegebreken hersteld kunnen worden en dat (dus) een hersteltermijn moet worden gegeven. Mijn ambtgenoot IJzerman concludeerde in die zaak dat niet is uitgesloten dat bepaalde gebreken in de administratie nog hersteld kunnen worden (onderdeel 5.12 van de conclusie).
equity swaps(commercieel) c.q. ‘waardevermeerderingen effecten’ (fiscaal) iets anders aanduiden dan het dividend en zij dus niet het dividend heeft ontvangen, zij dan ook slechts voor de netto door haar ontvangen bedragen in de heffing had moeten worden betrokken en niet voor de bruto bedragen, zoals het Hof heeft beslist.