Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de activiteiten van zijn eenmanszaak in 2014 een bron van inkomen vormden en dat de onderneming niet was gestaakt. Het hof stelde vast dat belanghebbende in 2014 geen omzet heeft behaald, geen facturen heeft uitgeschreven en dat hij vanaf 1 juni 2014 in loondienst was bij een werkgever. Hoewel hij een subjectief winstoogmerk had, ontbrak de objectieve voordeelsverwachting, waardoor het hof concludeerde dat geen sprake was van een bron van inkomen en de eenmanszaak per 30 mei 2014 is gestaakt.
Verder oordeelde het hof dat de looninkomsten uit dienstbetrekking niet geabsorbeerd worden door de onderneming, waardoor deze niet tot de winst uit onderneming behoren. Ten aanzien van de vorming van een voorziening voor accountants- en proceskosten stelde het hof vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten op de stakingsdatum redelijkerwijs ingeschat konden worden. Proceskosten gerelateerd aan het geschil over de bron van inkomen zijn niet aan te merken als zakelijke kosten, zodat ook daarvoor geen voorziening kan worden gevormd.
De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. Het hof zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.