In deze zaak staat centraal of ABP haar recht heeft verwerkt om aanvullende pensioenpremies bij [appellante], een vrijwillig aangesloten werkgever, in rekening te brengen voor ex-werknemers met recht op een WW-uitkering over de periode 1 juli 2013 tot en met december 2016. ABP bracht deze premies in rekening nadat een administratieve koppeling met UWV-gegevens was gemaakt, terwijl [appellante] jarenlang premienota’s ontving zonder dat zij de gevraagde WW-gegevens aanleverde, omdat zij niet wist dat dit van haar werd verwacht.
Het hof stelt vast dat ABP aanvankelijk communiceerde dat zij de benodigde WW-gegevens van het UWV ontving en dat [appellante] daarom geen gegevens hoefde aan te leveren. Pas in 2014 wijzigde ABP haar Handleiding Premie en Gegevens zonder uitdrukkelijke communicatie richting [appellante]. Hierdoor werd bij [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen aanvullende gegevens hoefde te verstrekken. ABP heeft nagelaten [appellante] te informeren over de gewijzigde situatie en de mogelijke financiële consequenties.
Het hof oordeelt dat ABP zich niet heeft gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat het onaanvaardbaar is dat ABP zich beroept op de premieplicht voor de betreffende periode. Daarom verklaart het hof voor recht dat ABP haar recht heeft verwerkt om de aanvullende premies op te leggen en veroordeelt ABP tot terugbetaling van €883.528,36 met wettelijke rente. De overige vorderingen van [appellante], waaronder schadevergoeding en kosten van rechtsbijstand, worden afgewezen.