Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die door de heffingsambtenaar werd opgelegd. Na diverse procedures, waaronder een eerdere vernietiging van een uitspraak op bezwaar door de rechtbank, verklaarde de heffingsambtenaar de aanslag ambtshalve vernietigd in een brief van april 2018, met terugbetaling van het betaalde bedrag en een kostenvergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en wees een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de ambtshalve vernietiging het materiële geschil had beslecht. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, en vorderde alsnog vergoeding van immateriële schade.
Het hof oordeelde dat de brief van de heffingsambtenaar van april 2018 wel degelijk een besluit was dat de naheffingsaanslag ambtshalve vernietigde en dat de rechtbank dit terecht had vastgesteld. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, werd verworpen omdat dit geen redelijk belang diende. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden en het materiële geschil met de ambtshalve vernietiging was beslecht.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.