Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[XY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8491967 CV EXPL 20-2690)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en één productie;
- de memorie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 11 januari 2023, waarbij [XX] en [XY] spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
alleopgesomde feiten en omstandigheden moeten komen vast te staan, wil sprake zijn van “daadwerkelijk overdragen van werkzaamheden”. Omdat de kantonrechter in het eindvonnis oordeelt dat niet alle door [geïntimeerde] gestelde feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan, had de kantonrechter niet kunnen concluderen dat sprake is geweest van het daadwerkelijk overdragen van werkzaamheden.
allegenoemde omstandigheden bewezen zouden moeten worden is niet opgenomen in de tekst van (r.o. 4.7 laatste zin van) het tussenvonnis. Dit is ook niet te bewijzen opgedragen. Volgens r.o. 4.6. van het tussenvonnis diende [geïntimeerde] te bewijzen dat hij in de periode 2015 tot en met 2018 werkzaamheden heeft verricht die zijn te kwalificeren als het “daadwerkelijk overdragen van werkzaamheden”. Het probandum is ook aldus geformuleerd, waarbij geen direct verband is gelegd met de in r.o. 4.3 opgesomde feiten en omstandigheden. Anders dan [XX] en [XY] menen, is het dus niet zo dat het bewijs van dit feit pas is geleverd wanneer alle in r.o. 4.3 van het tussenvonnis genoemde feiten en omstandigheden zouden zijn bewezen. Ook op dit punt falen de grieven I en II, evenals grief III.