Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9935358 / CV EXPL 22-2750)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 5.
3.De beoordeling
- a. Bij koopovereenkomst van 6/7 september 2021 hebben [appellant] en [appellante] de woning aan de [adres 1] en [adres 2] verkocht aan [geïntimeerde] voor een koopprijs van € 232.500,--.
- b. Volgens artikel 4.1 van de overeenkomst zou de akte van levering gepasseerd worden op 15 oktober 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader zouden overeenkomen.
- c. Volgens artikel 5 van Pro de koopovereenkomst diende [geïntimeerde] tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uiterlijk op 30 september 2021 een bankgarantie te doen stellen voor een bedrag van € 23.250,--, of een waarborgsom van € 23.250,-- te storten op de derdenrekening van de notaris.
- d. Artikel 11.1 en 11.2 van de koopovereenkomst luiden als volgt:
- f. [geïntimeerde] heeft op (of kort voor) 10 september 2021 aan [X] Taxaties te [vestigingsplaats] een taxatieopdracht verstrekt ten behoeve van het verkrijgen van een financiering voor de aankoop van de woning door een nader te bepalen geldverstrekker. [geïntimeerde] heeft hierbij vermeld dat geen verbouwing is gepland. Uit het door [geïntimeerde] als productie 1 bij de conclusie van antwoord overgelegde WhatsApp-verkeer blijkt dat [geïntimeerde] op 8 september 2021 al contact heeft gehad met [X] (hierna: [X] ) van [X] Taxaties over de door [X] te verrichten taxatie.
- g. [X] heeft op 10 september 2021 een inspectie / opname van het pand gedaan.
- h. Volgens de door [appellant] en [appellante] bij memorie van grieven overgelegde opgave van het Nederlands Woning Waarde Instituut (NWWI) is het taxatierapport op 28 september 2021 voor de eerste keer ondertekend. Het hof begrijpt uit het WhatsAppverkeer tussen [geïntimeerde] en [X] dat de ondertekening heeft plaatsgevonden door een collega van [X] , omdat [X] op dat moment in het buitenland zat.
- i. Toen eind september 2021 de in artikel 15.3 van de koopovereenkomst genoemde termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud verstreek, had [geïntimeerde] nog geen financiering verkregen. [geïntimeerde] heeft niet binnen de genoemde termijn de ontbindende voorwaarde (financieringsvoorbehoud) ingeroepen.
- j. [geïntimeerde] had op de in artikel 5 van Pro de koopovereenkomst genoemde datum 30 september 2021 geen waarborgsom gestort en geen bankgarantie gesteld.
- k. [geïntimeerde] heeft via de door hem ingeschakelde tussenpersoon [tussenpersoon] (hierna: [tussenpersoon] ) een andere taxateur, [taxateur] (hierna: [taxateur] ), ingeschakeld en hem de opdracht gegeven een taxatierapport over het pand op te stellen. Naar aanleiding van die opdracht heeft [taxateur] bij e-mail van 21 oktober 2021 het volgende meegedeeld aan [tussenpersoon] :
gevraagd ons de verbouwingsspecificatie door te sturen.
- p. [geïntimeerde] heeft de verbouwingsspecificatie vervolgens op 3 november 2021 bij [X] aangeleverd. Volgens de bij memorie van grieven overgelegde informatie van het NWWI is het (op 28 september 2021 ondertekende) taxatierapport op 4 november 2021 opengebroken om een verbouwing toe te voegen, en vervolgens op 4 november 2021 goedgekeurd en ondertekend.
- q. Bij brief van 5 november 2021 heeft de toenmalig gemachtigde van [appellant] en [appellante] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting om een bankgarantie te stellen dan wel een waarborgsom te storten. [geïntimeerde] is in de brief in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen acht dagen na ontvangst van de brief alsnog de bankgarantie te stellen of de waarborgsom te storten.
- r. [appellant] en [appellante] hebben de woning bij koopovereenkomst van 17 november 2021 verkocht aan een derde voor € 232.500,--. De levering van de woning aan die derde heeft plaatsgevonden bij leveringsakte van 1 december 2021.
- s. Bij WhatsAppbericht van 22 november 2021 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:
- het alsnog toewijzen van hun vorderingen;
- veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 1.120,-- dat [appellant] en [appellante] op grond van de bij het beroepen vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling aan [geïntimeerde] hebben voldaan, vermeerderd met wettelijke rente.
- omstreeks 21 oktober 2021 aan de door [geïntimeerde] ingeschakelde taxateur [taxateur] geen toegang hebben gegeven tot de woning, wat nodig was voor het door [taxateur] opstellen van een correct taxatierapport;
- op 22 oktober 2021, toen [geïntimeerde] met hen wilde overleggen over de situatie om een oplossing te bereiken, per WhatsApp lieten weten daar geen behoefte aan te hebben.
- Een boete van 10% van de koopsom vertegenwoordigd in het algemeen voor particulieren een aanzienlijk bedrag. Aangenomen kan worden dat dit ook voor [geïntimeerde] geldt. Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] en [appellante] niet hebben betwist dat [geïntimeerde] een bankfinanciering nodig had om de waarborgsom te kunnen storten.
- Er is niet gesteld of gebleken dat partijen bij de totstandkoming van de koopovereenkomst hebben onderhandeld over de hoogte van de contractuele boete. Kennelijk hebben partijen daar op dat moment niet erg bij stilgestaan.
- De financiële schade die [appellant] en [appellante] door de niet nakoming van [geïntimeerde] hebben geleden is relatief beperkt. Zij hebben de woning al op 17 november 2021, vóór het inroepen van de ontbinding van de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst, voor dezelfde koopprijs doorverkocht aan een derde. Zij hebben de woning op 1 december 2021 aan die derde geleverd terwijl [geïntimeerde] de woning in beginsel op 15 oktober 2021 had moeten afnemen. [appellant] en [appellante] hebben uiteengezet dat hun financiële schade bestaat uit de aan het bezit van de woning verbonden lasten over de periode van 15 oktober 2021 tot 1 december 2021, overigens zonder zich verder uit te laten over de hoogte van die lasten.
- Het enkele feit dat de financiële schade lager is dan het bedrag van de boete, brengt op zichzelf niet mee dat toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Er kan aan de zijde van de eisende partij ook sprake zijn van ander nadeel dan vermogensschade (zoals stress en onzekerheid). Bovendien beoogt een boetebeding een prikkel tot nakoming te vormen en die prikkel moet voldoende effectief zijn om haar werking te hebben.
- In het onderhavige geval is echter niet komen vast te staan dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake was van onwil om de verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen. Het heeft er eerder de schijn van dat [geïntimeerde] mede door onervarenheid niet voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het verkrijgen van een taxatierapport. Het tijdsverloop waarvan sprake is geweest lijkt mede aan [X] te wijten, want van de zijde van [appellant] en [appellante] is geen verklaring gegeven voor het vrij lange tijdsverloop tussen 10 september 2021 (opname pand) en 28 september 2021 (verstrekken eerste taxatierapport door [X] ). Op die datum was de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud al ongeveer verstreken en had [geïntimeerde] volgens de koopovereenkomst nog maar twee dagen om de bankgarantie te stellen, waarvoor een akkoord met een bank over de financiering nodig was.
- [appellant] en [appellante] hebben zich voorts niet coöperatief opgesteld door de door [geïntimeerde] ingeschakelde tweede taxateur ( [taxateur] ) niet in de woning toe te laten en door op 22 oktober 2021 te weigeren om met [geïntimeerde] in overleg te treden. Het kan niet geheel worden uitgesloten dat [geïntimeerde] – als [appellant] en [appellante] zich op deze punten anders hadden opgesteld – ontbinding van de koopovereenkomst had kunnen voorkomen. Dit laat overigens onverlet dat de tekortkoming van [geïntimeerde] mede om de hiervoor in rov. 3.6.4 genoemde redenen uiteindelijk aan hemzelf moet worden toegerekend.
4.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] en [appellante] € 15.000,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 januari 2022;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] en [appellante] tot op heden op € 128,92 aan dagvaardingskosten, € 693,-- aan griffierecht en € 746,-- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;