Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] B.V.,
i)de omvang van de vordering van [appellant 1]
ii)of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zich verzet tegen een beroep op die vordering
iii)(in het kader van de voorwaardelijke vordering in reconventie van [geïntimeerde] ) of [geïntimeerde] een regresvordering heeft op medeschuldenaar [appellant 2] .
1.Het geding in feitelijke instanties en in cassatie
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
- de dagvaarding van 18 december 2021;
- de memorie na cassatieverwijzing van [appellant 1] ;
- de antwoordmemorie na cassatieverwijzing van [geïntimeerde] ;
- de akte na cassatie en verwijzing van [appellant 1] ;
- de antwoordakte na cassatieverwijzing van [geïntimeerde] ;
- de akte overleggen producties van [appellant 1] met producties 1 tot en met 7.
3.De beoordeling
hofis van oordeel dat de door [geïntimeerde] genoemde omstandigheden, bezien in het licht van de daartegen door [appellant 1] ingebrachte stellingen, onvoldoende zijn voor het oordeel dat (uitoefening van) de vordering van [appellant 1] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW Pro). Het hof overweegt daartoe als volgt:
zij(cursivering hof) niets (meer) van [betrokkene 1] (en [geïntimeerde] ) te vorderen heeft, leidt niet tot en ander oordeel. Die mededeling betekent geenszins dat [betrokkene 1] (en [geïntimeerde] ) erop mochten vertrouwen van de vordering jegens [appellant 1] af te zijn. Van afstand van recht dan wel rechtsverwerking was geen sprake, zodat de rechtsvordering is blijven bestaan.
[geïntimeerde]: er is niks over van het bedrag dat mij destijds is toebedeeld. We hebben een hypotheek, verder niks’), leidt dit niet tot een ander oordeel. Uit het aan de notariële akte huwelijksvoorwaarden en verdeling van 28 juni 2011 gehecht ‘overzicht van verdeling’, blijkt een totale waarde van de vermogensbestanddelen van € 12.536.440,-- en een totaal aan lasten van € 6.549.843,--, waardoor een batig saldo resteert van € 5.986.597,-- (akte houdende producties d.d. 15 maart 2017, prod. 12). Aan [geïntimeerde] zijn goederen met een batig saldo van € 2.993.298,50 toegedeeld. De stelling van [geïntimeerde] dat de aandelen van de (persoonlijke) vennootschap van [betrokkene 1] ( [B.V. 2] B.V., aan [geïntimeerde] is 40% van de waarde van die aandelen toegedeeld, € 2.833.755,20) geen waarde vertegenwoordigt (omdat het slechts een waarde op papier is), kan niet slagen. Uit het publicatierapport 2010 van [B.V. 2] B.V. blijkt dat het eigen vermogen van deze vennootschap op 31 december 2010 € 7.077.142,-- bedroeg. Uit de huwelijkse voorwaarden d.d. 28 juni 2011 blijkt dat de waarde van alle aandelen in die vennootschap € 7.084.388,-- bedroeg. Gelet op de aard van deze stukken, gaat het hof uit van de juistheid van de inhoud van deze documenten, zodat het hof niet toekomt aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] . Dat haar vermogen thans een negatieve waarde vertegenwoordigt, zoals [geïntimeerde] stelt, leidt, zo hiervan sprake zou zijn, niet tot een ander oordeel. (Overigens houdt de beweerde negatieve waarde nog niet in dat zij de vordering niet zou kunnen voldoen).
€ 5.160,--(2 punten x tarief € 2.580,--),
€ 10.304,--(2 punten x tarief € 5.152,--),
€ 10.304,--(2 punten x tarief € 5.152,--),