Belanghebbende exploiteert een smartshop en verkocht magische truffels, waarvoor hij het verlaagde btw-tarief wilde toepassen. De inspecteur legde naheffingsaanslagen en een verzuimboete op, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank wees het beroep af en belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil betrof de vraag of magische truffels als voedingsmiddelen onder het verlaagde btw-tarief vallen, en of het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel toepassing kon vinden. Het hof oordeelde dat magische truffels sclerotia zijn, geen paddenstoelen en niet onder de Opiumwet vallen. De psychoactieve stoffen beperken de consumptie tot kleine hoeveelheden, waardoor de voedingswaarde verwaarloosbaar is.
Het hof volgde het arrest van het HvJ EU (1 oktober 2020) en de Hoge Raad (18 december 2020) dat het verlaagde tarief alleen geldt voor producten die noodzakelijk zijn voor instandhouding en werking van het organisme. Het rechtszekerheidsbeginsel biedt geen bescherming tegen gewijzigde jurisprudentie van het HvJ EU. Het vertrouwensbeginsel faalde omdat de staatssecretaris sclerotia niet expliciet uitsloot, maar dat was niet bindend.
Belanghebbende had na een publicatie van de Belastingdienst in 2019 het algemene tarief toegepast. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.