Belanghebbende maakte bezwaar tegen de toepassing van het algemene btw-tarief op de levering van magische truffels en stelde dat het verlaagde tarief van toepassing moest zijn. De rechtbank beoordeelde of magische truffels als voedingsmiddelen konden worden aangemerkt volgens post a.1 van Tabel I bij de Wet OB. Hierbij werd onder meer gekeken naar Europese en nationale jurisprudentie en de aard van magische truffels, die vanwege hun hallucinerende werking worden verkocht en geconsumeerd.
De rechtbank concludeerde dat magische truffels geen levensmiddelen zijn zoals bedoeld in de wet, omdat zij niet dienen voor de instandhouding, werking en ontwikkeling van het menselijk organisme. Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd afgewezen, mede omdat het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2022 geen eerdere andere standpunten aantoonde en eerdere arresten van de Hoge Raad niet rechtstreeks op magische truffels van toepassing zijn.
Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de rechtbank binnen twee jaar uitspraak deed na ontvangst van het oudste bezwaarschrift. De beroepen werden ongegrond verklaard en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.