Belanghebbende werkte in 2014 in Nederland en verbleef regelmatig bij zijn gezin in België. Hij maakte aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) voor 2014, maar de inspecteur wees dit af omdat hij niet voldeed aan het wettelijke vereiste dat het kind ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres in Nederland staat ingeschreven.
Na afwijzing van bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof. Hij voerde onder meer aan dat het niet kunnen inschrijven in het Belgische bevolkingsregister en diverse fundamentele rechtsbeginselen hem recht zouden geven op de IACK.
Het hof verwierp deze argumenten, verwijzend naar eerdere uitspraken over 2015 en de dwingende tekst van artikel 8:14a Wet IB 2001. Ook de Schumacker-doctrine werd niet van toepassing geacht, omdat belanghebbende in Nederland stond ingeschreven en daar verbleef.
Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich niet kon inschrijven in België, en dat het niet voldoen aan het inschrijvingsvereiste een geldige grond is voor afwijzing van de IACK. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.