In deze arbeidsrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, en zo ja, welke billijke vergoeding daarvoor toekwam. Het hof bevestigde in een tussenbeschikking dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld, waarna partijen zich konden uitlaten over de hoogte van de vergoeding.
De werknemer stelde een vergoeding van €110.864 bruto voor, onder meer gebaseerd op verlies van anciënniteit, pensioenbreuk, minder gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden en het risico op voortijdig ontslag bij haar nieuwe baan. De werkgever betwistte dit en stelde dat het dienstverband niet langer dan tot 1 mei 2023 zou hebben geduurd en dat de werknemer geen financiële schade had geleden omdat zij direct een nieuwe baan vond met een hoger salaris.
Het hof oordeelde dat de werknemer geen financiële schade aannemelijk had gemaakt, mede omdat zij direct een nieuwe baan met een hoger salaris had gevonden. Wel werd erkend dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld en dat de werknemer zelf een ondergeschikt aandeel had in de verstoorde arbeidsrelatie. De billijke vergoeding werd vastgesteld op €20.000 bruto, naast de reeds toegekende transitievergoeding van €47.556,99 bruto.
De beschikking van de kantonrechter werd gedeeltelijk vernietigd en het hof veroordeelde de werkgever tot betaling van de billijke vergoeding met wettelijke rente en in de proceskosten. De overige vorderingen werden afgewezen.