Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 30 maart 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling, gehouden op 19 mei 2021;
- de memorie van grieven met producties 1a en 1b;
- de memorie van antwoord met 1 productie;
- de akte uitlating productie van [appellante] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
6.De beoordeling
slechts voor zover[appellante] haar vorderingen grondt op artikel 7:658 lid 2 en Pro lid 4 BW deze procedure door de kantonrechter als een op zichzelf staande procedure werd beschouwd en niet als de “procedure ten principale” (hierna: de bodemprocedure) van de deelgeschilprocedure als bedoeld in Titel 17 Boek 3 Rv (de artt. 1019w t/m 1019cc Rv.).
- is geraakt door het flowrack nadat [persoon A] daartegen met een orderpicktruck was aangereden en;
- hierdoor ernstige rugklachten heeft ontwikkeld,
bodemprocedure een vervolg is op de deelgeschilprocedure. Dat zo zijnde valt niet in te zien dat aan de vaststellingen van de deelgeschilrechter tijdens de descente, neergelegd in 2.2. van de beschikking en in iets andere bewoordingen overgenomen door de kantonrechter in 4.9., geen betekenis toekomt. Een descente heeft als doel feitelijke informatie te verkrijgen met het oog op de vaststelling van de feitelijke grondslag van de beslissing. Waar de bevindingen van de deelgeschilrechter zijn vastgelegd in de beschikking hebben ze te gelden als dwingend bewijs als bedoeld in artikel 157 lid 1 Rv Pro [3] .
- is geraakt door het flowrack nadat [persoon A] daartegen met een orderpicktruck was aangereden en zij
- daardoor ernstige rugklachten heeft ontwikkeld.
in een ruk5 á 10 cm is opgeschoven, aldus de deelgeschilrechter.
in aansluiting aaneen bedrijfsongeval (prod. 7 deelgeschil). De bedrijfsarts [persoon C] meldt dat de huisarts aangeeft geen medische voorgeschiedenis van betrokkene in bezit te hebben en er anamnestisch voorafgaand aan het ongeval geen ruglijden was. Dat laatste laat zich slecht verenigen met de verklaring van [persoon E] dat [appellante] haar al lang voor het incident verteld had dat ze altijd pijn in haar rug heeft. [persoon C] maakt melding van het rapport van [persoon F] , radioloog, waarin wordt geconcludeerd: “Degeneratieve veranderingen L4-L5 en L5-S1 (…).” [persoon C] ziet concluderend “een knik in het functioneren op basis van
een sinds het ongevalvan 07-03-2017 bestaand consistent klachtenpatroon.” Maar het uitgangspunt van [persoon C] , voorafgaand aan het ongeval geen ruglijden, is twijfelachtig.