Deze zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van appellant, die samenwoonde met geïntimeerde zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract.
De kern van het geschil is of er sprake was van een eenvoudige gemeenschap tussen de moeder en geïntimeerde, waardoor geïntimeerde mede-eigenaar was van bepaalde goederen en mede gerechtigd tot banksaldi. De kantonrechter oordeelde dat een eenvoudige gemeenschap bestond en kende een deel van de vorderingen toe.
Het hof vernietigt het vonnis op onderdelen en overweegt dat de bankrekening bij ING uitsluitend op naam van de moeder stond en geïntimeerde geen medegerechtigdheid had. Voor de bankrekening bij ASN was medegerechtigdheid niet aannemelijk. Het hof bevestigt dat de roerende zaken gezamenlijk eigendom waren op grond van de lange relatie en gezamenlijke aanschaf.
Het hof veroordeelt geïntimeerde tot betaling van €9.524,66, bestaande uit onterechte geldopnamen en de marktwaarde van de gemeenschappelijke goederen, met wettelijke rente. Tevens wordt hij veroordeeld in de proceskosten.