ECLI:NL:GHSHE:2024:519

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 februari 2024
Publicatiedatum
21 februari 2024
Zaaknummer
22/01185
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet BPMArt. 19 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 2 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste tenaamstelling en proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM die was opgelegd met een onjuiste tenaamstelling, namelijk op naam van de fiscale eenheid in plaats van belanghebbende zelf. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar het geschil over de proceskostenvergoeding bleef.

In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de onjuiste tenaamstelling geen reden is voor vernietiging van de naheffingsaanslag, omdat het RSIN-nummer op de aanslag overeenkomt met dat op de aangifte en er geen misverstand kon bestaan over voor wie de aanslag bestemd was. De rechtbankuitspraak wordt daarom bevestigd op dit punt.

Wat betreft de proceskostenvergoeding oordeelt het hof dat de rechtbank de vergoeding voor de beroepsfase te laag heeft vastgesteld en verhoogt deze van € 538 naar € 875. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 548 en proceskosten van € 1.750 voor de rechtbank en € 875 voor het hof.

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het gaat om de proceskostenvergoeding bij de rechtbank en bevestigd voor het overige. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de genoemde kosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt niet vernietigd vanwege onjuiste tenaamstelling, maar de proceskostenvergoeding wordt verhoogd en de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/01185
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 mei 2022, nummer BRE 21/2185, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorijwielen (hierna: Bpm) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft de aanvraag tot inschrijving van de auto in het kentekenregister gedaan. Belanghebbende heeft vervolgens op 30 oktober 2019, door de inspecteur ontvangen op 8 november 2019, aangifte Bpm gedaan ten bedrage van € 2.210 ter zake van de registratie van het motorrijtuig [merk] , type [type] met VIN-nummer eindigend op [nummer 1] (hierna: de auto). De auto is een gebruikt (marge)voertuig dat in Nederland is ingevoerd. De aangifte Bpm is gedaan op naam van belanghebbende, [belanghebbende] B.V., onder vermelding van het RSIN nummer ( [nummer 2] ) van de fiscale eenheid “FISCALE EENHEID [belanghebbende] B.V., [belanghebbende] B.V. C.S.” (hierna: de fiscale eenheid).
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 30 oktober 2019. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 21.220. De handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van een koerslijst van Eurotax. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 13.961 en heeft dit gehele bedrag, ofwel 100%, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 7.259.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door de heer [naam] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: de taxateur van DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 15 november 2019. De handelsinkoopwaarde is aan de hand van een koerslijst van XRay marge vastgesteld op € 21.275. De taxateur van DRZ heeft in het rapport geen schade geconstateerd die op de handelsinkoopwaarde in mindering kan worden gebracht.
2.4.
Met dagtekening 29 oktober 2020 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 3.888. Tevens is bij beschikking € 26 belastingrente in rekening gebracht. Als tenaamstelling van de naheffingsaanslag vermeldt het aanslagbiljet “FISCALE EENHEID [belanghebbende] B.V., [belanghebbende] B.V. C.S.” met vermelding van het aan de fiscale eenheid toebehorende RSIN nummer [nummer 2] .
2.5.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.960 en de rentebeschikking evenredig verminderd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd, voor zover het gaat om de daarbij genomen beslissing omtrent de kostenvergoeding. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.620 en heeft gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan belanghebbende vergoedt.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd in verband met een onjuiste tenaamstelling?
Heeft de rechtbank het bedrag van de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente en vaststelling van een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vraag i. (tenaamstelling naheffingsaanslag)
4.1.
Belanghebbende betoogt dat de tenaamstelling en het RSIN-nummer van de naheffingsaanslag onjuist zijn. Hij betoogt dat de naheffingsaanslag aan belanghebbende, met RSIN-nummer [nummer 3] , had moeten worden opgelegd. De inspecteur betoogt dat, naar het hof begrijpt, verwarring over de naam is ontstaan omdat belanghebbende op het aangiftebiljet het RSIN-nummer van de fiscale eenheid heeft vermeld. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de door belanghebbende op het aangiftebiljet vermelde gegevens.
4.2
Ingevolge artikel 7 Wet Pro Bpm wordt, indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam motorrijtuig wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. De aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister is gedaan door belanghebbende. In zoverre kan belanghebbende worden aangemerkt als de belastingplichtige. De aangifte BPM is echter ingediend onder het – abusievelijk onjuist vermelde – RSIN nummer van de fiscale eenheid.
4.3.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een onjuiste tenaamstelling van een aanslag in het algemeen niet kan leiden tot een betalingsverplichting. [1] Deze regel leidt evenwel uitzondering wanneer de tenaamstelling een zodanige geringe onvolkomenheid bevat dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan voor wie de toegezonden aanslag is bestemd. Het hof stelt vast dat het RSIN nummer op de naheffingsaanslag overeenkomt met het RSIN nummer zoals vermeld op de door belanghebbende zelf ingediende aangifte. Naar het oordeel van hof zou het duidelijk moeten zijn om welke belanghebbende het gaat en is het ook duidelijk om welke auto het gaat. Steun hiervoor ontleent het hof aan de omstandigheden dat zowel het bezwaarschrift, het beroepschrift en het hoger beroepschrift zijn ingediend namens belanghebbende. Er kan daarom, naar het oordeel van het hof, redelijkerwijs geen misverstand bestaan over voor wie de naheffingsaanslag bestemd is. [2]
4.4.
Vraag i. dient ontkennend te worden beantwoord.
Vraag ii. (vaststelling proceskostenvergoeding rechtbank)
4.5.
Het hof volgt belanghebbende in haar standpunt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. [3] Het hof stelt de tegemoetkoming voor de beroepsfase op 2 (punten) [4] x € 875 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.750. De vergoeding van de kosten van bezwaar is door de rechtbank op het juiste bedrag van € 538 vastgesteld. Het hof laat deze vaststelling in stand.
4.6.
Vraag ii. dient ontkennend te worden beantwoord.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (deels) wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.10.
Het hof stelt de tegemoetkoming op 2 (punten) [5] x € 875 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.750. Het hof ziet echter aanleiding tot matiging van de aldus berekende vergoeding. Het geschil dat voorligt omvat zowel de omvang van de naheffingsaanslag als de hoogte van de proceskostenvergoeding. Hiervan uitgaande zou een wegingsfactor van 1 in beginsel van toepassing zijn. Belanghebbende wordt echter voor het materiële geschil in het ongelijk gesteld en uitsluitend in het gelijk gesteld op het punt van de toepassing van het onjuiste tarief bij de vergoeding van proceskosten. Het hof ziet hierin aanleiding op grond van artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht het bedrag te verminderen tot € 875.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de proceskosten van het beroep bij de rechtbank;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 548 vergoedt, door dit bedrag te storten op een bankrekening op naam van belanghebbende;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.750 uit te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 875. uit te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.A.M. van den Broek J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2356
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1518
3.Zie Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752
4.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
5.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.