ECLI:NL:GHSHE:2025:1715

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
18 juni 2025
Zaaknummer
23/1048
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in belastingzaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in hoger beroep over een informatiebeschikking die door de inspecteur van de Belastingdienst aan de belanghebbende was opgelegd. De informatiebeschikking betrof de jaren 2006 tot en met 2018 en was gegeven in het kader van op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze beschikking, maar de inspecteur had het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikking bevestigd, maar de belanghebbende stelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn met afgerond 21 maanden was overschreden en kende een schadevergoeding toe van € 2.000. De inspecteur en de minister werden veroordeeld tot vergoeding van respectievelijk € 1.714 en € 286 aan immateriële schade. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de informatiebeschikking, en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigden. De uitspraak werd openbaar gedaan op 18 juni 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1048
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 21/4611, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2006 tot en met 2018.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft hier middels een brief op gereageerd.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR gegeven over de jaren 2006 tot en met 2018 ten behoeve van op te leggen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting over de genoemde jaren (hierna: de informatiebeschikking). Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 3 oktober 2019, ontvangen door de inspecteur op 4 oktober 2019, bezwaar ingediend tegen de informatiebeschikking.
2.2.
In de vooraankondiging uitspraak op bezwaar van 16 juni 2020 is het volgende opgenomen:
‘Mondelinge toelichtiing
In uw brief van 30 november 2019 heeft u aangegeven gehoord te willen worden en verzoekt u om inzage in het gehele dossier.
Het horen op een Belastingkantoor is vanwege de genomen maatregelen m.b.t het coronavirus momenteel niet mogelijk. Wel bestaat de mogelijkheid om het horen telefonisch plaats te laten vinden. Hier moet u wel mee instemmen.
Ik verzoek u dan ook om mij te laten weten of u hiermee instemt en zo ja, mij een aantal data en tijdstippen door te geven waarop dit telefonisch horen plaats kan vinden.’
2.3.
Belanghebbende reageert bij brief van 29 juni 2020 als volgt hierop:
‘Gevraagde instemming om telefonisch te worden gehoord:
hier wordt niet mee ingestemd.’
2.4.
Op 28 augustus 2020 heeft de inspecteur een brief aan belanghebbende gestuurd met als onderwerp ‘mogelijkheden om gehoord te worden’, waarin het volgende is opgenomen:
‘In mijn vooraankondiging uitspraak op het bezwaar van 16 juni 2020 heb ik u verzocht mij te laten weten of u instemt met de mogelijkheid om het horen telefonisch te laten plaatsvinden. Daarnaast heb ik u gevraagd om aan te geven of u instemt met het per e-mail versturen van de “op de zaak betrekking hebbende stukken”.
In uw brief van 29 juni 2020 heeft u aangegeven niet in te stemmen met het telefonisch horen en in te stemmen met het toesturen per post van alle direct of indirect op de zaak betrekking hebbende stukken.
Vervolgens heb ik u in mijn aangetekende brief van 22 juli 2020 verzocht om in te stemmen met uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar (art. 7:10, lid 4, Awb) en u daarbij verzocht te reageren vóór 5 augustus 2020.
Tot op heden heb ik geen reactie van u mogen ontvangen.
Aangezien het momenteel niet mogelijk is om het hoorgesprek bij de Belastingdienst/kantoor
[plaats] te laten plaatsvinden zie ik de volgende mogelijkheden om dit hoorgesprek op korte termijn te voeren:
-u stemt alsnog in met het telefonisch horen;
-het hoorgesprek vindt plaats op uw woonadres, [adres] te [woonplaats] .
Uiteraard staat het u vrij om zelf een andere passende locatie voor te stellen.’
2.5.
Bij brief van 10 september 2020 reageert belanghebbende op de in 2.4. aangehaalde brief van de inspecteur als volgt:
‘Naar aanleiding van uw brief van 28 augustus jl. bericht ik u als volgt.
Het momenteel niet mogelijk zijn om het hoorgesprek bij de Belastingdienst te laten plaatsvinden is begrijpelijk maar mij niet aan te rekenen.
Het heeft naar mijn mening geen betekenis om in te stemmen met uw verzoek om uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar nu de betreffende termijn al op 11 januari 2020 is verstreken. Dit tijdstip ligt overigens ruim voor het tijdstip van de coronamaatregelen (media maart 2020).
In uw brief van 16 juni 2020 heeft u mij laten weten dat u het voornemen hebt om mijn bezwaar af te wijzen. Ik leid hier uit af dat u een hoorzitting als een formele aangelegenheid ziet die geen invloed zal hebben op uw reeds voorgenomen besluit.
In de loop van de tijd heb ik diverse keren verzocht om overlegging van mijn dossier.
Dit heeft nog steeds niet plaatsgevonden. Ik verzoek u om mij het complete dossier binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief te doen toekomen.’
2.6.
Bij brief van 27 juli 2021 neemt de inspecteur het volgende op:
‘Het is weer mogelijk om hoorgesprekken plaats te laten vinden bij de Belastingdienst/kantoor [plaats] .
Ik ontvang van u graag voor u geschikte data en tijdstippen voor een bespreking, vanaf volgende week. Ik maak dan een keuze en bevestig de afspraak.
Uw reactie
Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 4 augustus 2021 toe te sturen.’
2.7.
Bij brief van 16 augustus 2021 stuurt de inspecteur een rappel aan belanghebbende met de volgende inhoud:
‘In mijn brief van 27 juli 2021 heb ik aangegeven dat het weer mogelijk is om hoorgesprekken plaats te laten vinden bij de Belastingdienst/kantoor [plaats] .
Ik heb u verzocht geschikte data en tijdstippen aan te geven voor een hoorgesprek m.b.t. mijn voornemen om het door u ingediende bezwaarschrift tegen de afgegeven informatiebeschikking af te wijzen.
Tot op heden heb ik van u geen reactie mogen ontvangen.
Ik verzoek u nogmaals voor u geschikte data en tijdstippen aan te geven voor een bespreking. Hierbij merk ik op dat ik zelf vanaf 23 augustus 2021 tot en met 8 september afwezig ben.
Uw reactie
Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 30 augustus 2021 toe te sturen.’
2.8.
Bij brief van 28 augustus 2021 reageert belanghebbende als volgt:
‘Hierbij laat ik u weten dat ik niet kan deelnemen aan het hoorgesprek. Dit in verband met gezondheidsproblemen.
Mocht u over het bezwaarschrift nog vragen hebben, dan ben ik uiteraard bereid deze te beantwoorden.’
2.9.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 september 2021 de informatiebeschikking gehandhaafd. De rechtbank heeft de informatiebeschikking gehandhaafd, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 700 en bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van € 49, aan haar vergoedt. Verder heeft de rechtbank de minister veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 300.
2.10.
De inspecteur heeft op 23 november 2023 aan het hof het volgende bericht:
‘U heeft mij verzocht verweer in te dienen. Ik heb echter het administratieve proces voor de vaststelling van navorderingsaanslagen over de jaren 2006 tot en met 2018 in werking gesteld.
Voor de jaren 2006 tot en met 2009 geldt dat, gezien het geringe belang, geen navorderingsaanslagen zullen worden vastgesteld.
De jaren 2010 tot en met 2014 zijn inmiddels van een dagtekening voorzien, namelijk 17 november 2023.
Ten aanzien van de jaren 2015 tot en met 2017 geldt dat het correctiebeleid van de Belastingdienst vaststelling van de navorderingsaanslagen belet.
Dit betekent dat het belang van onderhavige procedure is komen te vervallen.’
2.11.
Op 30 januari 2025 zijn partijen uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op de zitting van 18 april 2025.
2.12.
De inspecteur heeft in reactie hierop op 28 februari 2025 een stuk ingediend waarin het volgende is opgenomen:
‘De procedure ziet op de informatiebeschikking inkomstenbelasting en premie
volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2006 tot en met 2018. Zoals
eerder is aangegeven in mijn brief van 23 november 2023, zijn inmiddels
navorderingsaanslagen IB/PVV met dagtekening 17 november 2023 opgelegd voor
de jaren 2010 tot en met 2014. Dit betekent dat de informatiebeschikking voor
deze jaren van rechtswege is komen te vervallen. Voor de jaren 2006 tot en met
2009 geldt dat, gezien het geringe belang, geen navorderingsaanslagen zullen
worden vastgesteld. Ten aanzien van de jaren 2015 tot en met 2017 geldt dat het
correctiebeleid van de Belastingdienst vaststelling van de navorderingsaanslagen
belet.
Dit betekent dat het belang aan onderhavige procedure is komen te vervallen.
Desondanks is het hoger beroep tot op heden niet ingetrokken door
belanghebbende. Gezien het voorgaande, heb ik er dan ook geen bezwaar tegen
als uw hof ervoor kiest het hoger beroep zonder onderzoek ter zitting (artikel 8:57
Algemene wet inzake bestuursrecht) te behandelen.’

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
De informatiebeschikking is gegeven over de jaren 2006 tot en met 2018 ten behoeve van op te leggen (navorderings-)aanslagen inkomstenbelasting over de genoemde jaren. De inspecteur concludeert in zijn stukken van 23 november 2023 en 28 februari 2025 dat het belang aan onderhavige procedure is komen te vervallen. De inspecteur heeft, nadat hij de informatiebeschikking heeft genomen, over de jaren 2010 tot en met 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Dat betekent dat de informatiebeschikking voor zover deze betrekking heeft op de jaren 2010 tot en met 2014 van rechtswege is komen te vervallen. [1] Ook voor de overige jaren kan de informatiebeschikking niet in stand blijven. Voor de jaren 2006 tot en met 2009 en 2015 tot en met 2017 zullen namelijk – zo begrijpt het hof de inspecteur – geen navorderingsaanslagen IB/PVV worden opgelegd. Aangezien de inspecteur concludeert dat het belang aan onderhavige procedure is komen te vervallen, gaat het hof er verder van uit dat de inspecteur ook voor het jaar 2018 geen navorderingsaanslag IB/PVV zal opleggen, dan wel de in de informatiebeschikking geconstateerde informatieverzuimen niet tot omkering van de bewijslast zullen leiden. De informatiebeschikking kan daarom niet in stand blijven. [2] Gelet op het voorgaande zal het hof de (gehele) informatiebeschikking vernietigen, voor zover die niet al van rechtswege is komen te vervallen.
3.2.
Het geschil in hoger beroep betreft daarmee uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te laag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het belastinggeschil. De rechtbank heeft een vergoeding van immateriële schade toegekend, waarbij de redelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden is verlengd met 11 maanden, zijnde de periode tussen 28 augustus 2020 (zie 2.4) en 27 juli 2021 (zie 2.6). Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. [3] Deze termijn mag behoudens bijzondere omstandigheden niet worden verlengd. [4]
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
4.4.
Het hof stelt voorop dat de uitbraak van het coronavirus in 2020 en de daarmee verband houdende coronamaatregelen niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn voor berechting die in de regel als redelijk is aan te merken. De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, indien partijen waren uitgenodigd voor een zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en de zitting daarom opnieuw moest worden gepland. [5] Een dergelijke situatie is in deze zaak niet aan de orde. Het hof ziet – in tegenstelling tot de rechtbank – geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen vanwege het uitblijven van een concrete afspraak over het horen in de bezwaarfase in verband met de destijds geldende maatregelen omtrent de coronapandemie. Belanghebbende heeft, als reactie op de brief van de inspecteur van 28 augustus 2020, bij brief van 10 september 2020 (hiervoor aangehaald onder 2.5) kenbaar gemaakt dat het niet mogelijk zijn om het hoorgesprek bij de Belastingdienst te laten plaatsvinden haar niet aan te rekenen is. Bij brief van 27 juli 2021 (hiervoor aangehaald in 2.6), derhalve bijna 11 maanden later, reageert de inspecteur pas op deze brief van belanghebbende. Onder deze omstandigheden rechtvaardigt het uitblijven van een concrete afspraak over het horen in de bezwaarfase niet een verlenging van de redelijke termijn.
4.5.
Het bezwaarschrift is op 4 oktober 2019 door de inspecteur ontvangen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 14 juni 2023. Het hof acht geen bijzonder omstandigheden aanwezig die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep is daarom met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft dus recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 24 maanden heeft geduurd en daarmee afgerond 18 maanden te lang, komt de schadevergoeding voor 18/21 (€ 1.714) voor rekening van de inspecteur en voor 3/21 (€ 286) voor rekening van de minister.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 49 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de informatiebeschikking;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.714;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 286;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank van € 49 en het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, J.M. van der Vegt en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, Raadsheer,
E.A.D. Dockx J.C.E. Ackermans-Wijn
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door J.C.E. Ackermans-Wijn, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 51a, lid 3, AWR.
2.Vergelijk Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.2.
3.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
4.Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.
5.Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.1 en 3.4.2