Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
[communicatiedienst 1] is de naam van een bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Met een mobiele telefoon van [communicatiedienst 1] konden versleutelde berichten worden verstuurd. [communicatiedienst 1] leverde naast deze telefoons een pakket aan diensten, waarmee toegang kon worden verkregen tot een communicatienetwerk waarbinnen versleutelde tekst- en spraakberichten en afbeeldingen konden worden verstuurd naar en ontvangen van andere gebruikers van [communicatiedienst 1] -toestellen.Het was niet mogelijk om het apparaat of de simkaart te koppelen aan een gebruikersaccount. De gebruikers maakten gebruik van een ‘username’, die werd opgeslagen in de contactenlijst onder een zelf gekozen ‘nickname’.De berichten konden na een vooraf ingestelde tijd, ook wel ‘burn-time’ of beveiligde verwijdertijd genoemd, worden gewist. Deze tijd stond standaard ingesteld op zeven dagen, maar kon door de gebruiker worden aangepast. Ook kon de gebruiker de telefoon volledig wissen (‘panic wipe’), bijvoorbeeld ingeval van een dreigende aanhouding en/of inbeslagneming van de telefoon. Dit kon ertoe leiden dat als een dergelijke telefoon in beslag was genomen en door de politie kon worden ontsleuteld, er geen of slechts in zeer beperkte mate berichtenverkeer kon worden nagelezen.
‘material evidence’(vgl. EHRM 16 december 1992, nr. 13071/87 (Edwards / Verenigd Koninkrijk), maar ook om
‘other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence’(vgl. EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (Matanović / Kroatië)). Het hof onderkent in dat licht dat de verdediging deze mogelijkheid moet hebben, teneinde verweren te kunnen formuleren in het kader van de lopende strafzaak, ook waar het gaat om toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze vereisten gedurende de berechting is voldaan. Aan deze vereisten is in het algemeen voldaan als de verdachte, al dan niet naar aanleiding van door of namens hem gedane verzoeken, beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor het kunnen formuleren van verweren in het kader van de strafzaak, zoals hiervoor bedoeld. De vraag die in dat verband dan ook rijst is of het Openbaar Ministerie hier zijn verantwoordelijkheid zou hebben verzaakt door bij het samenstellen van het dossier (of nadien) niet alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door het hof in de strafzaak van de verdachte te geven beslissing, toe te voegen. Indien die vraag een bevestigend antwoord verdient, kan het hof hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde relevant geachte stukken gelasten.
onder verantwoordelijkheid vande Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Concrete inhoud en concrete betekenis van de verzochte stukken is niet gegeven, waarmee aanwijzingen voor het tegendeel dat het Openbaar Ministerie niet overeenkomstig zijn wettelijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 149a, eerste lid, Sv heeft gehandeld, ontbreken. De omstandigheid dat het Franse opsporingsonderzoek naar [communicatiedienst 1] wellicht is gestart naar aanleiding van informatie die de Franse autoriteiten van de Nederlandse autoriteiten hadden verkregen in het kader van het onderzoek 26Bismarck maakt nog niet dat de verantwoordelijkheid voor de interceptie bij de Nederlandse autoriteiten lag. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het inzetten van de interceptietool, dat zij wisten dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, dat sprake was van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie.
the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2024 de eerder gehanteerde maatstaf bij– daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
- een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en/of
- een verzuim waarvan het belang zo fundamenteel van karakter is, dat enkel op die grond niet-ontvankelijkverklaring op haar plaats is, zelfs als de verdachte niet (meer) direct in zijn belangen is geschaad.
‘Vraag onderzoek Attala
Naar aanleiding van een vraag van een van de raadslieden in de zaak Attala is mij verzocht een aanvullend proces-verbaal op te maken met daarin achtergrondinformatie hoe een bericht van 17 juni 2020 zich in het procesdossier kan bevinden, terwijl de live interceptie periode op 14 juni 2020 eindigde volgens andere informatie in het procesdossier.
Onderzoek 26Lemont
In een strafrechtelijk onderzoek genaamd 26Lemont is op basis van een JIT-overeenkomst met Frankrijk onderzoek gedaan naar de mogelijke strafbare feiten gepleegd door [communicatiedienst 1] c.s., te weten onder andere witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan diverse door anderen gepleegde strafbare feiten, zoals handel in verdovende middelen, geweldsmisdrijven en vermogensmisdrijven.
Verkrijgen dataset uit Frankrijk
De informatie die verkregen is door opsporingsbevoegdheden in Frankrijk en tussentijds is gedeeld, is op 27 juli 2020 ook nog eens volledig middels een harde schijf overgedragen aan Nederland, en opgeslagen op het onderzoeksnetwerk van de politie. Ook hierover zijn reeds processen-verbaal opgemaakt en als bijlage gevoegd bij dezelfde brief uit september 2020.
Genereren nieuwe set telefoon-data
Ten overvloede
Data van na 14 juni 2020 kan ook op een andere wijze zijn veiliggesteld, bijvoorbeeld doordat de telefoon na die datum in beslag is genomen en toegang is verkregen tot de gegevens die nog op de telefoon stonden opgeslagen. Daar heeft bovenstaande beslissing van de Franse autoriteiten geen betrekking op.’
Een schriftelijk bescheid, zijnde het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 8 mei 2025 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] (parketnummer 20-000384-22), welk verkort proces-verbaal op verzoek van de advocaat-generaal is gevoegd in het dossier van de verdachte, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van [medeverdachte 2] :
Een schriftelijke verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , overgelegd op de terechtzitting van het hof van 20 februari 2025 in de ontnemingszaak tegen hem (parketnummer 20-002874-23 OWV), welke schriftelijke verklaring is gehecht aan het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal en welke schriftelijke verklaring op de terechtzitting van 8 mei 2025 is gevoegd in het onderhavige dossier van de verdachte, voor zover deze – zakelijk
weergegeven – inhoudt:
Een schriftelijk bescheid, zijnde het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 8 mei 2025 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 20-000386-22), welk verkort proces-verbaal op verzoek van de advocaat-generaal is gevoegd in het dossier van de verdachte, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] :
onder verantwoordelijkheidvan de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het hof zijn daarvoor geen concrete aanknopingspunten. De interceptietool is op basis van Franse wettelijke bevoegdheden ingezet door de Franse autoriteiten. Dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het inzetten van de tool en wisten dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, staat niet ter discussie, maar maakt dat niet anders. Dat er sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie, maakt dit evenmin anders. Het Franse onderzoeksteam heeft de Nederlandse politie toegang gegeven tot de [communicatiedienst 1] -data via een beveiligde verbinding met de betreffende computersystemen in Frankrijk. Deze informatie-uitwisseling vindt zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in het JIT. Een en ander leidt echter niet tot verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het inzetten van opsporingsmiddelen.
onder verantwoordelijkheidvan de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden.
voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;
tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en,
dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.
voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 kan Pro verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
Om te beginnen is er bij de ‘interceptie van telecommunicatie’ zoals
Vervolgens komt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 3, van richtlijn
Het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in die bepaling impliceert dat de in
Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan,kan[onderstreping, hof]
de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen (…)’en niet op het werkwoord ‘mogen’ in de officiële Nederlandse vertaling van het bepaalde in sub a en b van dat artikellid.
‘Die Verwendung des Verbs ‘können’), in deze zaak de gebruikte procestaal].
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), worden
1. een nadere onderbouwing wordt gegeven, gestaafd met (bron)documenten hoe de tijdzone is bepaald in de [communicatiedienst 1] van ‘ [accountnaam 3] ’, 2. De (bron)nen kenbaar te maken op basis waarvan het IMEI-nummer van ‘ [accountnaam 3] ’ is vastgesteld. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie per mail van 7 november 2024, voorzien van bijlagen, het hof alsmede de verdediging in kennis gesteld van de nadere onderzoeksbevindingen van de politie. Op 1 mei 2025, een week voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling, heeft de verdediging het hof bericht dat in de visie van de verdediging onvoldoende uitvoering is gegeven aan de onderzoekswensen, waarop de verdediging het hof bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling op 8 mei 2025 (opnieuw) heeft verzocht nader onderzoek te doen verrichten ter zake van voormelde twee punten. Volgens de verdediging is er in de nieuwe informatie immers met geen woord gerept over het [communicatiedienst 1] -account ‘ [accountnaam 3] ’. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, nog daargelaten het late tijdstip van dit verzoek, het Openbaar Ministerie voldoende uitvoering heeft gegeven aan het verzoek van het hof en de noodzaak tot nader onderzoek ontbreekt. Dat de verdediging de bevindingen ontoereikend acht, maakt dat volgens de advocaat-generaal niet anders. Het hof heeft bij gelegenheid van de inhoudelijke behandelingen medegedeeld dat uiterlijk bij (tussen)arrest hierover zal worden beslist
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een revolver - kaliber.44;
- een stroomstootwapen.
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een zwart vizier;
- een trilpan.