In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking, dat ongegrond werd verklaard, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en een immateriële schadevergoeding toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hoger beroep werd ingesteld door een gemachtigde van een kantoor, waarbij een machtiging werd overgelegd die echter dateerde van meer dan vijf jaar eerder en niet voldeed aan de eis van een recente machtiging. Het hof verzocht de gemachtigde meerdere malen om een recente machtiging te overleggen, niet ouder dan zes maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep, om de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bevestigen.
Ondanks deze verzoeken werd de gevraagde recente machtiging niet tijdig overgelegd. Het hof overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht een dergelijke machtiging kan worden verlangd om de bevoegdheid van de gemachtigde te toetsen. Omdat het verzuim niet werd hersteld en geen verschoonbare reden werd gegeven, verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het hof wees tevens af om het griffierecht te vergoeden en zag geen aanleiding om de proceskosten aan de wederpartij toe te kennen. De uitspraak werd gedaan door raadsheer Verkoijen en griffier Van Middelkoop op 1 oktober 2025.