Verzoekers dienden op 12 oktober 2025 een wrakingsverzoek in tegen het hof, de raadsheren en griffiers, gebaseerd op eerdere afwijzingen van verzoeken om uitstel van zitting, ontheffing van griffierecht en het onbehandeld laten van een voorlopige voorziening.
De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek te laat was ingediend, omdat de feiten waarop het verzoek berustte al op 10 september 2025 bekend waren en het verzoek om uitstel toen was afgewezen. Ook eerdere gebeurtenissen rondom griffierecht en voorlopige voorziening lagen ver voor de indieningsdatum. Jurisprudentie vereist dat wrakingsverzoeken onmiddellijk na bekendwording worden ingediend.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was en dat een inhoudelijke behandeling niet aan de orde was. Daarnaast werd overwogen dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is tegen tussenbeslissingen zoals afwijzing van uitstel of betalingsonmacht. Ook tegen griffiers was het verzoek niet toewijsbaar, omdat hun taken niet gelijkgesteld kunnen worden aan die van rechters.
Ten slotte concludeerde de wrakingskamer dat het verzoek misbruik van recht was, omdat het slechts diende om alsnog uitstel te verkrijgen. Daarom zal een volgend wrakingsverzoek van dezelfde verzoekers niet in behandeling worden genomen.