ECLI:NL:GHSHE:2025:3242

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
24/510
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen met betrekking tot immateriële schadevergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 12 april 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) heeft opgelegd. De inspecteur van de Belastingdienst had een naheffingsaanslag opgelegd van € 19.955, terwijl belanghebbende een bedrag van € 10.861 had aangegeven. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en wees ook het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij de zitting op 8 oktober 2025 plaatsvond. Het hof oordeelde dat de beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de herleidingsmethode niet slagen, maar dat de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend. Het hof concludeert dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden en kent een schadevergoeding van € 500 toe aan belanghebbende. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd, maar voor het overige bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/510
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2024, nummer BRE 22/4606, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 19 november 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi A6 Avant - RS6 TFSI 4.0 met VIN-nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto) naar een te betalen bedrag aan bpm van € 10.861. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 9 november 2021.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door DRZ. Naar aanleiding van die hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde bpm moet worden vastgesteld op € 30.816. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.
2.3.
De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 19.955. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 15 april 2022 door de inspecteur is ontvangen. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2022 gehandhaafd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen.
2.5.
In de uitspraak van de rechtbank is het volgende vermeld:
“Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 12 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
[volgt handtekening van de rechter en de griffier.]
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 april 2024”
2.6.
De site www.rechtspraak.nl [1] vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

Datum uitspraak: 12-04-2024
Datum publicatie: 19-04-2024”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Waarbij meer specifiek in geschil is of de verschuldigde bpm kan worden herleid vanuit de herrekende bruto bpm, welke is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig.
2. Komt belanghebbende in aanmerking voor een immateriëleschadevergoeding?
Belanghebbende heeft tijdens de zitting van het hof bevestigd dat zij bij de rechtbank haar standpunt dat de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld, heeft ingetrokken .
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag, tot veroordeling van de inspecteur in de proceskosten en veroordeling van de minister tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
(1) Naheffingsaanslag: de herleidingsmethode
4.1.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbende die betrekking op de herleidingsmethode niet slagen en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [2] .
(2) De immateriëleschadevergoeding
4.2.
Belanghebbende stelt dat hoewel in het dictum van de uitspraak van de rechtbank staat dat deze op 12 april 2024 is gedaan en openbaar is gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl, deze uitspraak pas daadwerkelijk op 19 april 2024 is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit betekent dat de uitspraak niet eerder dan op 16 april 2024 – de datum van toezending van de uitspraak aan partijen – bekend is geworden bij belanghebbende en dat daarmee de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg was verstreken. Dit betekent volgens belanghebbende dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade van € 500, te betalen door de minister.
4.3.
De inspecteur is van mening dat de rechtbank op goede gronden een terechte beslissing heeft genomen. Indien het hoger beroep enkel op dit punt gegrond verklaard, kan de immateriëleschadevergoeding volgens de inspecteur worden beperkt tot € 50 gezien de termijnoverschrijding van één dag.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016 [3] , heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet [4] . De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak) [5] . Op dat moment is namelijk de onzekerheid over de afloop van de procedure voorbij omdat de uitkomst bekend is. Daarom is, naar het oordeel van het hof, in deze zaak de redelijke termijn niet op 12 april 2024 maar op 16 april 2024 verstreken. Dat is namelijk de datum dat de uitspraak aan partijen is toegezonden en aldus bekend is gemaakt aan belanghebbende. [6] Dat betekent dat de redelijke termijn in beroep is overschreden.
4.5.
Het hof stelt vast dat het overgangsrecht zoals de Hoge Raad dat heeft geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024 [7] van toepassing is. Het hof moet daarom als uitgangspunt nemen dat belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade nu het financiële belang bij de gevoerde procedure ten minste € 15 bedraagt en dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van een wettelijke uitzondering is geen sprake.
4.6.
De redelijke termijn is aangevangen op 15 april 2022 en geëindigd op 16 april 2024, te weten de dag waarop de uitspraak van de rechtbank partijen bekend is geworden. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met één dag. Deze overschrijding van afgerond een halfjaar is geheel toe te rekenen aan de beroepsfase. Het hof heeft – anders dan door de inspecteur is betoogd – geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit betekent dat de minister een bedrag van € 500 aan belanghebbende dient te vergoeden.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
De minister dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het bij het hof betaalde griffierecht van respectievelijk € 365 en € 559 te vergoeden. De vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht vindt zijn grondslag in de omstandigheid dat het beroep bij de rechtbank op zichzelf ongegrond is, maar wel een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt toegekend en dit – mede in aanmerking genomen het overgangsrecht in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [8] – had moeten leiden tot een veroordeling van de minister in het door belanghebbende betaalde griffierecht. De vergoeding van het bij het hof betaalde griffierecht vindt zijn grondslag in het feit dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof veroordeelt de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat alsnog een immateriëleschadevergoeding wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.10.
In het kader van de toe te kennen proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat artikel 19a Wet bpm in het onderhavige geval geen toepassing vindt, omdat de Hoge Raad in de arresten van 26 september 2025 [9] heeft geoordeeld dat, gelet op het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van cassatie in 2024, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 [10] . Aangezien het onderhavige hoger beroep eveneens is ingesteld in 2024, dient in deze zaak te worden vastgesteld dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Het hof is van oordeel dat belanghebbende hierin moet worden gevolgd. Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding zal vaststellen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) zonder daarbij rekening te houden met de uit 19a, lid 2, letter b, Wet bpm voortvloeiende vermenigvuldigingsfactor. Wel ziet het hof aanleiding tot matiging van de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb. Het hof stelt vast dat belanghebbende in hoger beroep gedeeltelijk in het gelijk is gesteld; zij heeft ongelijk gekregen wat betreft het geschilpunt over de naheffingsaanslag en gelijk wat betreft het geschilpunt over de vergoeding van immateriële schade. Gelet hierop is het hof van oordeel dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang. [11] Het geschilpunt waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld is in die zin ‘zeer licht’ dat indien de zaak alleen over dat geschilpunt zou zijn gegaan het gewicht van de zaak ‘zeer licht’ (0,25) zou zijn geweest. [12] Dit betekent dat het hof de proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase zal vaststellen uitgaande van een factor gewicht van de zaak van 0,25.
4.11.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor het beroep op 1 (punt) [13] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 [14] (factor gewicht van de zaak) is € 226,75.
4.12.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep, mede op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb, op 2 (punten) [15] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) € 453,50.
4.13.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover daarin een beslissing over de vergoedingen van immateriële schade, het griffierecht en de proceskosten ontbreekt;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500;
  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 680,25.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.2.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.2.
6.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2316, r.o. 4.13.
7.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
8.ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.
11.Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659, r.o. 2.2.2.
12.Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2, letter c.
13.1 punt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade, zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
14.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
15.1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Bpb.