ECLI:NL:GHSHE:2025:336

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
23/681 tot en met 23/683
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over opbrengstlimiet watersysteem-, riool- en afvalstoffenheffing

Belanghebbende was eigenaar en gebruiker van twee adressen in 2020 en 2021 en maakte bezwaar tegen aanslagen watersysteemheffing, rioolheffing en afvalstoffenheffing. De heffingsambtenaar had beschikkingen gegeven en aanslagen bekendgemaakt, die deels werden gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.

In hoger beroep betwistte belanghebbende uitsluitend nog of de opbrengstlimiet van de genoemde heffingen was overschreden, waarbij hij stelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in bepaalde kostenposten zoals personeelslasten en overheadkosten. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar naar vermogen inzicht had verschaft aan de hand van begrotingen en specificaties, en dat de enkele stelling van belanghebbende onvoldoende was om twijfel te rechtvaardigen.

Het hof bevestigde dat de bewijslast voor het aantonen van overschrijding bij belanghebbende ligt en dat de heffingsambtenaar niet hoeft te bewijzen dat twijfels ongegrond zijn. Omdat belanghebbende niet met meer concrete onderbouwing kwam, verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond. Tevens werden geen proceskosten toegekend en het griffierecht niet vergoed.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/681 tot en met 23/683
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 maart 2023, nummers SHE 21/3023, 22/34 en 22/921, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken beschikkingen gegeven voor [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Ook zijn voor [adres 1] de aanslagen onroerendezaakbelasting eigenaar woning en watersysteemheffing gebouwd aan belanghebbende bekendgemaakt.
Voor [adres 2] zijn de aanslagen watersysteemheffing gebouwd en ingezetenen, zuiveringsheffing woningen, onroerendezaakbelasting eigenaar woning, rioolheffing gebruiker woning en afvalstoffenheffing aan belanghebbende bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren deels gegrond verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [naam] . De onderhavige zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken 23/1639 en 23/1640.
1.5.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was in 2020 en 2021 eigenaar en gebruiker van [adres 2] en was in 2021 eigenaar van [adres 1] in [woonplaats] .
2.2.
De heffingsambtenaar heeft genoemde beschikkingen voor het jaar 2021 gegeven en genoemde aanslagen aan belanghebbende bekendgemaakt. De aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing betreffen het jaar 2020. De overige aanslagen betreffen het jaar 2021.
2.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2021 bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen en de aanslagen.
2.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2021 is beslist dat de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor [adres 2] gehandhaafd blijft.
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2021 is beslist dat de aanslagen rioolheffing gebruiker woning en afvalstoffenheffing voor [adres 2] gehandhaafd blijven en dat de WOZ-waarde voor [adres 1] wordt verminderd, onder dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen watersysteemheffing gebouwd en onroerendezaakbelasting eigenaar woning.
2.6.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld. Het beroep betreffend de aanslag watersysteemheffing gebouwd ten aanzien van [adres 2] is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SHE 21/3023. Het beroep betreffend de aanslagen rioolheffing gebruiker woning en afvalstoffenheffing ten aanzien van [adres 2] is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SHE 22/34. Het beroep betreffend de watersysteemheffing gebouwd ten aanzien van [adres 1] is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SHE 22/921.
2.7.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
2.8.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft uitsluitend nog het antwoord op de vraag of met betrekking tot de aanslagen watersysteemheffing, rioolheffing en afvalstoffenheffing de opbrengstlimiet is overschreden. Belanghebbende heeft zijn overige in het hogerberoepschrift aangevoerde gronden ter zitting van het hof ingetrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt dat niet kan worden vastgesteld of de opbrengstlimiet van de watersysteemheffing, rioolheffing en afvalstoffenheffing wordt overschreden, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde lasten en baten van de: - watersysteemheffing, voor zover het betreft de personeelslasten (direct en urenverantwoording) en de kosten van de ondersteunende diensten;
- riool- en afvalstoffenheffing, voor zover het betreft de overheadskosten.
4.2.
Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 2014 [1] heeft geoordeeld, moet bij de beoordeling van een geschil over een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet een aantal regels over stelplicht en bewijslast in acht worden genomen. Daaruit volgt dat, als een belanghebbende aan de orde stelt dat de opbrengstlimiet is overschreden, de heffingsambtenaar inzicht moet verschaffen in de kostendekkendheid van de verordening. Pas als vervolgens de belanghebbende gemotiveerd (kosten)posten in twijfel trekt, moet de heffingsambtenaar naar vermogen de geuite twijfel wegnemen. De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet rust op de belanghebbende. In het kader van die toetsing is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke of waterschapsbegroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, als de gemeente of het waterschap deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.
4.3.
Ten aanzien van de door belanghebbende geuite twijfel of en in hoeverre de doorberekende kosten betrekking hebben op de kosten van het watersysteembeheer en de riool- en afvalstoffenheffing, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het hof naar vermogen inzicht verschaft in de door belanghebbende benoemde (kosten)posten onder verwijzing naar de betreffende begroting van het waterschap, de gemeentelijke begrotingen en de gespecificeerde weergave van de kosten en opbrengsten van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing zoals opgenomen in de uitspraak op bezwaar. Hiermee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat ook de door belanghebbende benoemde doorberekende (kosten)posten terecht zijn aangemerkt als last ter zake.
4.4.
De enkele stelling van belanghebbende dat ten aanzien van bepaalde kostenposten inzicht ontbreekt in de omvang en samenstelling van deze posten, omdat sprake is van ongespecificeerde totaalbedragen, acht het hof onvoldoende om te twijfelen aan de door de heffingsambtenaar gegeven toelichting ten aanzien van deze posten. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het hof voldoende toegelicht waaruit de bestreden (kosten)posten bestaan, waarom deze kosten zijn gemaakt en waarom zij als lasten zijn toegerekend. [2] Het had op de weg van belanghebbende om met meer te komen dan hij heeft gedaan. Omdat hij dat niet heeft gedaan, zal het hoger beroep ongegrond worden verklaard.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.J.C Pieterse, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst M.J.C. Pieterse
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Vergelijk Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, r.o. 2.4.5.