ECLI:NL:GHSHE:2025:3539

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/420 en 24/421
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en inkomen uit sparen en beleggen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De belanghebbende, woonachtig in België, heeft het recht van vruchtgebruik op een woning in Nederland. In geschil is de hoogte van het inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 en 2018. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor deze jaren, waarbij de rechtbank in haar uitspraak het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 op nihil heeft vastgesteld. Het hof oordeelt dat de rechtbank dit ten onrechte heeft gedaan, en stelt het inkomen voor 2017 vast op € 720, terwijl voor 2018 het inkomen op nihil blijft. De uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd, en de navorderingsaanslagen worden aangepast. Het hof oordeelt dat de inspecteur de kosten van het geding moet vergoeden, en legt een griffierecht op van € 559. De uitspraak is openbaar gedaan op 10 december 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/420 en 24/421
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 maart 2024, nummers BRE 22/1752 en BRE 22/1753 in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (België),
hierna: belanghebbende,
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) over 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woonde in 2017 en 2018 in België.
2.2.
Belanghebbende bezit het recht van vruchtgebruik van een in Nederland gelegen woning (de woning). De woning staat belanghebbende voor eigen gebruik ter beschikking en werd in 2017 en 2018 niet verhuurd. De waarde van het vruchtgebruik van de woning bedroeg op 1 januari 2017 € 181.440, op 1 januari 2018 € 182.160, en op 1 januari 2019 € 164.480.
2.3.
De navorderingsaanslagen IB 2017 en 2018 zijn opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning en uit sparen en beleggen van:
2017
2018
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 45.171
€ 45.170
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 4.749
€ 3.646
Verschuldigde IB
€ 9.566
€ 9.164
Berekende belastingrente
€ 993
€ 662
De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de navorderingsaanslagen IB 2017 en IB 2018 verminderd naar belastbaar inkomens uit werk en woning van € 45.171 (2017) en € 45.170 (2018) en voor beide jaren een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en de rentebeschikkingen evenredig verminderd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de rechtbank terecht het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 op nihil heeft vastgesteld.
3.2.
Gelet op het gedurende het hoger beroep (als gevolg van een na het instellen ervan, door de Hoge Raad gedane uitspraak) nader door de inspecteur ingenomen standpunt, is er ten aanzien van het jaar 2018 geen geschil meer.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vaststelling van het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 op een bedrag van € 720.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
In zijn arrest van 20 december 2024 [1] (hierna: het arrest van 20 december 2024) heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
“5.2.1. Positieve en negatieve waardeveranderingen van vermogensbestanddelen in box 3 behoren, gelet op het arrest van 6 juni 2024 [2] , tot het werkelijke rendement, ook indien de belastingplichtige die waardeveranderingen nog niet heeft gerealiseerd. Bij vermogensbestanddelen die het gehele jaar tot het vermogen van de belastingplichtige behoren, geldt daarbij als uitgangspunt dat het gaat om het verschil tussen de waarde daarvan aan het begin en aan het eind van het jaar.
5.2.2.
Indien het, zoals in dit geval, gaat om het werkelijke rendement van een woning die het gehele jaar tot het vermogen van de belastingplichtige heeft behoord, moet daartoe de waarde van die woning aan het begin en aan het eind van het jaar worden bepaald op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), naar analogie met het bepaalde in artikel 5.20 Wet IB 2001.6 Die analogie brengt mee dat voor de waarde van de woning aan het begin van het jaar moet worden uitgegaan van de waarde die de heffingsambtenaar voor dat jaar bij een beschikking op grond van de Wet WOZ heeft vastgesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 2, Wet WOZ is dat de waarde die de woning had op de waardepeildatum, dat wil zeggen één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor die waarde wordt vastgesteld. Voor de waarde van de woning aan het einde van het jaar dient, met het oog op een zinvolle vaststelling van de waardeverandering in de loop van het kalenderjaar, te worden aangesloten bij de waarde van de woning die op grond van de Wet WOZ is vastgesteld voor het volgende kalenderjaar, en waarvoor de waardepeildatum eveneens een jaar tevoren is gelegen. De Hoge Raad volgt dus de wijze van berekening die de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.9 van zijn conclusie heeft omschreven als “de t-1-berekening.
(…)
5.5
Bij de vaststelling van het werkelijke rendement van belanghebbende en haar echtgenoot houdt de Hoge Raad geen rekening met een voordeel wegens eigen gebruik van de tweede woning. Het voordeel wegens eigen gebruik van een onroerende zaak behoort weliswaar tot het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 38, maar om de omvang daarvan vast te kunnen stellen moeten diverse keuzes worden gemaakt. (…) Het maken van dergelijke keuzes ligt meer op de weg van de wetgever dan op die van de rechter. Bij gebreke van een hiervoor in box 3 toepasbare wettelijke regeling zal de Hoge Raad aannemen dat het voordeel wegens eigen gebruik van een onroerende zaak niet te kwantificeren is, en daarom voor de vaststelling van het werkelijke rendement op nihil moet worden gesteld.
Voetnoten:
6 HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.
8 Vlg. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, rechtsoverweging 2.5.2, en HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:771, rechtsoverweging 2.4.3.”.
4.2.
De inspecteur betoogt dat gelet op het arrest van 20 december 2024 het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 € 720 bedraagt en voor 2018 nihil. Het eigen gebruik leidt niet tot inkomen uit sparen en beleggen, wel moet rekening worden gehouden met eventuele waardestijgingen van het vruchtgebruik. De waarde van het vruchtgebruik bedroeg namelijk op 1 januari 2017 € 181.440 en op 1 januari 2018 € 182.160, dat is een waardestijging van € 720. In 2018 is het vruchtgebruik in waarde gedaald. Belanghebbende bestrijdt dat sprake is van inkomen uit sparen en beleggen over beide jaren.
4.3.
Uit de arresten van 20 december 2024 van 6 juni 2024 volgt dat (positieve en negatieve) waardeveranderingen van vermogensbestanddelen in box 3 tot het werkelijke rendement behoren, ook als die waardeveranderingen niet zijn gerealiseerd. Verder volgt uit deze rechtspraak dat voor het eigen gebruik van een woning het werkelijke rendement op nihil moet worden gesteld. Dit alles betekent dat in dit geval, zoals de inspecteur terecht betoogt, het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 € 720 bedraagt en het inkomen uit sparen en beleggen over 2018 nihil. Terecht is niet in geschil dat in dit geval de belastingheffing aan Nederland is toegewezen.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep met betrekking tot 2017 (nr. 24/420) gegrond is en met betrekking tot 2018 (nr. 24/421) ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Alhoewel de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, is het hof van oordeel dat voor het door de inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 559 omdat het hoger beroep ten aanzien van nr. 24/421 ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep gedeeltelijk ongegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) [3] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 907.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep met nummer 24/420 gegrond;
  • verklaart het hoger beroep met nummer 24/421 ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over het inkomen uit sparen en beleggen over 2017;
  • vermindert de navorderingsaanslag over 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.171 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 720;
  • vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht van € 559 wordt geheven;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 907.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.ECLI:NLHR:2024:705 (hierna: het arrest van 6 juni 2024).
3.1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.