Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3621

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/1844
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 3 AWRArt. 5 lid 1 AWRArt. 3:41 lid 1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 9 lid 2 Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag omzetbelasting binnen wettelijke termijn

Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit twee B.V.'s, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2016, inclusief een verzuimboete en belastingrente. De inspecteur handhaafde de aanslag en boete, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.

Het geschil spitste zich toe op de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke naheffingstermijn van vijf jaar was opgelegd. Belanghebbende stelde dat de aanslag niet tijdig was ter post bezorgd en ontving deze pas op 5 januari 2022, buiten de termijn. De inspecteur voerde aan dat de aanslag tijdig was aangeboden aan het postvervoerbedrijf, ondersteund door een verzendrapport.

Het hof oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de aanslag op 23 en 24 december 2021 aan het postvervoerbedrijf was aangeboden, en dat de dagtekening van 29 december 2021 bepalend is voor de termijn. Hierdoor was de naheffingsaanslag tijdig opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag is tijdig opgelegd binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1844
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende 1] B.V., [belanghebbende 2] B.V.gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 november 2023, nummer BRE 22/3590, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 105.000 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is een verzuimboete van € 5.278 opgelegd (de verzuimboete) en is belastingrente in rekening gebracht van € 19.743 (de rentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd. De rentebeschikking is bij uitspraak op bezwaar verminderd naar nihil.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit [belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V. De activiteiten van [belanghebbende 2] B.V. bestaan (onder meer) uit het verzorgen en trainen van, alsmede de handel in paarden.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2016 de (gedeeltelijke) eigendom van twee paarden verkocht. Belanghebbende heeft op de leveringen het nultarief [1] toegepast.
2.3.
De inspecteur heeft met betrekking tot de in 2.2 genoemde leveringen de naheffingsaanslag met dagtekening 29 december 2021 opgelegd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is uitsluitend of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd en meer in het bijzonder of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en de verzuimboete en tot toekenning van een vergoeding van de proceskosten.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt onder verwijzing naar artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dat de naheffingsaanslag niet binnen de naheffingstermijn van vijf jaren is opgelegd, aangezien de naheffingsaanslag op 5 januari 2022 door belanghebbende is ontvangen. De naheffingsaanslag is volgens belanghebbende niet tijdig ter post bezorgd. Doordat de inspecteur niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en belanghebbende de naheffingsaanslag op 5 januari 2022, derhalve buiten de naheffingstermijn heeft ontvangen, is de naheffingsaanslag niet tijdig opgelegd en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, aldus belanghebbende.
4.2.
De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren is opgelegd. Aangezien op 19 november 2021 opdracht is gegeven de naheffingsaanslag aan belanghebbende toe te zenden en de naheffingsaanslag deel uitmaakte van een batch die op 23 en 24 december 2021 ter verzending aan PostNL is aangeboden, is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de inspecteur tijdig en op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
4.3.
Ingevolge artikel 20, lid 3, AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Daarbij is de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend voor het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd. [2] Voornoemde regel lijdt uitzondering indien de naheffingsaanslag na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, in welk geval de datum van bekendmaking in de plaats komt van de dagtekening van het aanslagbiljet. [3]
4.4.
De bekendmaking van een naheffingsaanslag vindt doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaats door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan belanghebbende. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. [4] Voor de terpostbezorging is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. [5] De bewijslast dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf, rust daarbij op de inspecteur.
4.5.
De inspecteur heeft een verzendrapport overgelegd, waaruit volgt dat de naheffingsaanslag op 16 december 2021 is verwerkt en is terechtgekomen in een batch documenten met als dagtekening 29 december 2021. Uit het verzendrapport volgt voorts dat de naheffingsaanslag op 17 december 2021 is geregistreerd onder de naam “ [naam] ” en dat de batch documenten waar de naheffingsaanslag toe behoort op 23 en 24 december 2021 is aangeboden voor verzending. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf en dat de naheffingsaanslag daarmee op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien de dagtekening van de naheffingsaanslag na de terpostbezorging is gelegen, dient te worden teruggevallen op de hoofdregel van artikel 5, lid 1, AWR, namelijk dat de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend is voor de vraag of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Gelet op het feit dat de naheffingsaanslag is gedagtekend op 29 december 2021, komt het hof tot het oordeel dat de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren en daarmee tijdig is opgelegd.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Er is geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Er zijn geen redenen voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond; en
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De beslissing is digitaal ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. Een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers L.D.M.A Reijs
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in combinatie met post a.2, van de bij de Wet OB behorende tabel II.
2.Artikel 5, lid 1, AWR.
3.Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2.
4.Vgl. Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.2.
5.Vgl. Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, r.o. 2.5.3.