Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit twee B.V.'s, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2016, inclusief een verzuimboete en belastingrente. De inspecteur handhaafde de aanslag en boete, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke naheffingstermijn van vijf jaar was opgelegd. Belanghebbende stelde dat de aanslag niet tijdig was ter post bezorgd en ontving deze pas op 5 januari 2022, buiten de termijn. De inspecteur voerde aan dat de aanslag tijdig was aangeboden aan het postvervoerbedrijf, ondersteund door een verzendrapport.
Het hof oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de aanslag op 23 en 24 december 2021 aan het postvervoerbedrijf was aangeboden, en dat de dagtekening van 29 december 2021 bepalend is voor de termijn. Hierdoor was de naheffingsaanslag tijdig opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.