AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging naheffingsaanslag accijns voor onveraccijnsde sigaretten in woning
Belanghebbende werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag accijns nadat tijdens een doorzoeking in 2017 in en rond zijn woning een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten werd aangetroffen. De inspecteur stelde dat belanghebbende als degene die de goederen feitelijk voorhanden had, dan wel daarbij betrokken was, aansprakelijk was voor de accijns.
Belanghebbende maakte bezwaar en voerde aan dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht had en dat ook andere bewoners toegang hadden tot de goederen. De rechtbank wees het beroep af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof oordeelde dat het begrip 'voorhanden hebben' en 'betrokken zijn' ruim moeten worden uitgelegd conform Richtlijn 2008/118/EG, waarbij geen wetenschap van de accijnsschuld vereist is. Gezien de feitelijke toegang en bewoning kon belanghebbende worden aangemerkt als belastingplichtige. Het hof verwierp ook de stelling dat het willekeurverbod of het zorgvuldigheidsbeginsel waren geschonden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet vergoed.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag accijns tegen belanghebbende.
Voetnoten
1.Artikel 2, lid 1, letter b, WA (wettekst 2017).
2.Artikel 51, lid 1, letter b, WA (wettekst 2017).
3.Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG, Pb. 2009, L 9; inmiddels vervangen door Richtlijn (EU) 2020/262 van de raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking) met als implementatiedatum 13 februari 2023, Pb. L 58.
4.HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 23.
5.Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p.8.
6.Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p. 23.
8.Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 24.
9.Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 28 en slot.
11.HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 26 en 31.
12.Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 34.
13.Vgl. HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 33.
15.HvJ EU 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 33.
16.Vgl. de conclusie van A-G Tanchev van 21 januari 2021 bij de zaak WR, C-279/19, punt 34.
17.Vgl. de conclusie van A-G Tanchev van 21 januari 2021 bij de zaak WR, C-279/19, punt 67.
18.Hoge Raad 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9493, r.o. 3.5 en Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p. 25 en Kamerstukken II 2009/10, 32 031, nr. 5, p. 11.