Belanghebbende heeft in 2004 meerdere aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van voedingssupplementen. De Inspecteur voerde controles uit en stelde dat de aangegeven douanewaarde te laag was, waarna uitnodigingen tot betaling werden uitgereikt. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat haar verdedigingsrechten waren geschonden doordat zij niet voorafgaand aan de uitnodigingen tot betaling haar standpunt kon kenbaar maken.
Het hof oordeelde dat er weliswaar sprake was van schending van de verdedigingsrechten, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitnodigingen tot betaling leidde omdat belanghebbende niet concreet kon aangeven hoe zij was benadeeld. De Hoge Raad stelt dat het hof niet voldoende gemotiveerd heeft of de schending van de verdedigingsrechten tot een andere uitkomst had kunnen leiden, zoals vereist volgens het arrest van het Hof van Justitie van de EU.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.