Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3626

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/264 tot en met 24/266 en 25/1671 tot en met 25/1674
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 7:1 lid 2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 13 lid 3 AWRArt. 15 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016-2019 na niet-ontvankelijkheid bezwaren

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2016 tot en met 2019. De inspecteur verklaarde de bezwaren over 2016, 2017 en 2018 niet-ontvankelijk en wees het bezwaar over 2019 af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar over 2017 niet-ontvankelijk en wees de overige beroepen af.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de niet-ontvankelijkheid onterecht was, onder meer vanwege opname in een fraudelijst (projectcode) en vermeende schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof oordeelde dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat belanghebbende niet tijdig bezwaar had ingediend en geen verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk had gemaakt.

Verder bevestigde het hof dat de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2019 conform de aangiften zijn opgelegd en dat de afwijking bij 2018 geoorloofd was. De inspecteur handelde niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door geen mediationtraject te starten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslagen IB/PVV 2016-2019 en de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/264 tot en met 24/266 en 25/1671 tot en met 25/1674
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 februari 2024, nummers BRE 22/4773, 22/4774, 22/4854, 22/4856, 24/1422, 24/1424 en 24/1425, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016, 2017, 2018 en 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking over het jaar 2016 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019 ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018 afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het jaar 2017 niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Belanghebbende is in 2014 ernstig ziek geworden. In de aangiften IB/PVV van 2016, 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende onder andere zorgkosten in aftrek gebracht.
2.2.
De aangifte van belanghebbende over het jaar 2018 was gekoppeld aan projectcode [code] en is handmatig gecontroleerd. [1] De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de aangifte door € 4.276 aan persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen in plaats van het door belanghebbende aangegeven bedrag van € 6.711.
2.3.
De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2019 de aangiften van belanghebbende gevolgd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur terecht de bezwaren over de jaren 2016, 2017 en 2018 niet-ontvankelijk verklaard?
II. Zijn de aanslagen IB/PVV 2016, 2017, 2018 en 2019 tot de juiste bedragen opgelegd?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Ingetrokken zaken
4.1.
De echtgenote stelt dat zij de zaken met nummers BRE 22/4775, 22/4776, 22/4852 en 22/4853 niet ter zitting bij de rechtbank heeft willen intrekken. Deze zaaknummers zien op de aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019 die zijn opgelegd aan de echtgenote. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden net corona gehad en waren nog niet fit tijdens de zitting.
4.2.
De echtgenote heeft blijkens het proces-verbaal, waarin de echtgenote wordt aangeduid als ‘belanghebbende (2)’, het volgende verklaard:
“Belanghebbende (2) verklaart:
- (…)
- Ik trek mijn beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019 in. Ik ben akkoord dat de griffier een proces-verbaal opmaakt waarin staat dat ik de zaken heb ingetrokken.
De rechtbank constateert dat de zaken met zaaknummers 22/4775, 22/4776, 22/4852 en 22/4853 ter zitting door belanghebbende (2) zijn ingetrokken.”
4.3.
De echtgenote heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken in de zaken met nummers BRE 22/4773, 22/4774, 22/4856 en 22/4632. Deze zaaknummers hebben betrekking op de aanslagen die zijn opgelegd aan belanghebbende. Het hof gaat er daarom vanuit dat de echtgenote optreedt als gemachtigde van belanghebbende.
4.4.
Volgens het proces-verbaal van de rechtbank heeft de echtgenote de zaken met nummers BRE 22/4775, 22/4776, 22/4852 en 22/4853 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Deze intrekkingen waren niet onder voorwaarden gedaan. De echtgenote is ter zitting akkoord gegaan dat de griffier een proces-verbaal opmaakt waarin staat dat de echtgenote de zaken heeft ingetrokken. De echtgenote moet in rechte aan deze intrekkingen worden gehouden. Het hof zal deze zaken dan ook niet in behandeling nemen.
Extra zaaknummers
4.5.
Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift aangegeven dat hij alle gronden van bezwaar en beroep handhaaft. Belanghebbende heeft echter maar vier zaaknummers genoemd in zijn hogerberoepschrift, te weten BRE 22/4773, 22/4774, 22/4856 en 22/4632. Aangezien belanghebbende al zijn bezwaar- en beroepsgronden handhaaft, gaat het hof ervan uit dat het hoger beroep zich ook richt tegen de rechtbanknummers BRE 22/4854, 24/1422, 24/1424 en 24/1425 [2] . Het hof heeft daarom de zaaknummers 25/1671 tot en met 25/1674 aangemaakt.
Ten aanzien van het geschil
I.
Ontvankelijkheid bezwaren
4.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018 ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Belanghebbende verwijst naar de conclusie van A-G Niessen [3] waaruit volgens belanghebbende volgt dat een belastingplichtige die pas na het verstrijken van de termijn voor bezwaar en/of beroep verneemt dat hij op de lijst Project [code] /FSV stond, in bijzondere gevallen alsnog rechtsmiddelen kan aanwenden met een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding.
2017
4.7.
De inspecteur heeft op 2 april 2020 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2017. Met deze uitspraak is de bezwaarfase geëindigd. Volgens vaste jurisprudentie kan niet tweemaal uitspraak op bezwaar worden gedaan. [4] De tweede uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 van 15 september 2022 is dan ook ten onrechte gedaan. Er is zodoende geen sprake van een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beroep kan worden ingesteld. Het beroep van belanghebbende kan daarom enkel zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 2 april 2020. Belanghebbende had dat binnen zes weken moeten doen. [5] Belanghebbende heeft op 9 oktober 2022 beroep ingesteld. Het beroep kan dan alleen in behandeling worden genomen als er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is ongegrond.
2016 en 2018
4.8.
De rechtbank heeft over de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen 2016 en 2018 als volgt geoordeeld:
“4.2. Niet in geschil is dat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. Belanghebbende heeft echter gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, omdat belanghebbende voorkomt op een lijst van project [code] . Belanghebbende verwijst daarvoor naar de conclusie van A-G Niessen bij een arrest van de Hoge Raad. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Indien een belastingplichtige na het verstrijken van de bezwaartermijn alsnog verschoonbaar bezwaar wil maken, moet dat bezwaar wel binnen een redelijke termijn na de betreffende ontdekking zijn ingediend. Tot de stukken van het geding behoort een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, waaruit volgt dat belanghebbende op 11 december 2020 al op de hoogte was van de opname in project [code] . Belanghebbende heeft gewacht met het indienen van de bezwaren tot 22 april 2022. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet zo spoedig als mogelijk bezwaar ingediend. De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2016 en 2018 zijn daarom - ook als de opname in project [code] een termijnoverschrijding verschoonbaar zou maken - terecht niet-ontvankelijk verklaard.”
Het hof acht dit oordeel juist, op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. Dat wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
II.
Aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019
4.9.
Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat de bedragen in de aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019 kloppen. Belanghebbende stelt echter dat de vele voorlopige aanslagen over 2017 belanghebbende schade hebben gegeven. Hierdoor zijn bedragen uitbetaald aan anderen of verrekend, terwijl hij later de bedragen zelf moest terugbetalen. Daarnaast stelt belanghebbende dat hij ten onrechte op fraudelijsten, geregistreerd als projectcode [code] , voorkomt wegens zijn hoge zorgkosten. Belanghebbende vindt dat er daardoor sprake is van discriminatie.
Opname in Fraude Signalering Voorziening (FSV) en projectcode [code]
4.10.
De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 10 december 2021 [6] en 14 januari 2022 [7] een aantal uitgangspunten geformuleerd over de opname in de FSV-lijsten. De Hoge Raad heeft onder andere geoordeeld dat als blijkt dat een aftrekpost niet klopt, de inspecteur eerdere en latere aangiften mag onderzoeken. Dit mag de inspecteur alleen niet doen als de controle op een manier gebeurt waardoor een grondrecht wordt geschonden. In die gevallen mag een inspecteur de aanslag niet aanpassen op basis van een controle. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat schending van privacy niet automatisch leidt tot lagere aanslagen.
4.11.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat bij de opname van belanghebbende op een lijst van project [code] vanwege de hoge aangegeven zorgkosten geen sprake is van schending van een grondrecht als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 december 2021 en 14 januari 2022. Dit betekent dat bij de controle van de aanslag IB/PVV 2018 geen sprake was van schending van een grondrecht. De inspecteur mocht bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 daarom afwijken van de aangifte op basis van de controle. De aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2019 zijn conform de aangiften van belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft hier zodoende geen nadeel aan ondervonden.
4.12.
Het hof ziet in de argumenten van belanghebbende gelet op het voorgaande geen reden om de aanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2019 te verlagen.
Voorlopige aanslagen 2017
4.13.
De inspecteur heeft meerdere voorlopige aanslagen IB/PVV 2017 opgelegd aan belanghebbende. De inspecteur kan een voorlopige aanslag door een of meer voorlopige aanslagen aanvullen. [8] Deze voorlopige aanslagen worden verrekend met de definitieve aanslag. [9] De inspecteur mocht zodoende meerdere voorlopige aanslagen opleggen.
4.14.
De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat uit de stukken van het geding volgt dat de inspecteur voorlopige aanslagen heeft opgelegd over 2017 omdat belanghebbende hierom heeft verzocht. Daardoor is er geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gemaakte afspraken en mediation
4.15.
Belanghebbende klaagt dat de inspecteur zich niet houdt aan gemaakte afspraken. Het hof gaat ervan uit dat belanghebbende (onder andere) doelt op de toezegging van de inspecteur om een mediationtraject op te starten.
4.16.
In de uitspraak van het hof van 19 maart 2020 [10] staat het volgende:
“4.11. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het geschil voortvloeit uit de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst en de moeizame communicatie tussen hem en de Inspecteur dan wel de Ontvanger. In dat verband heeft de Inspecteur ter zitting toegezegd dat hij de klachtenbehandelaar verzoekt om het traject van mediation op te starten.”
4.17.
De inspecteur heeft naar aanleiding van deze uitspraak in zijn brief van 9 oktober 2020 het volgende naar belanghebbende geschreven:
“In mijn brief van 6 juli 2020 ben ik ingegaan op het mediationtraject dat heeft plaatsgevonden. U benadrukte in ons videogesprek dat het nieuwe verzoek om mediation ziet op de latere belastingjaren 2016 en volgende. Ik bericht u dat de Belastingdienst geen toegevoegde waarde ziet in nog een mediationtraject. Met name omdat er een geregelde rechtsgang bestaat voor de aanslagen die u inmiddels voor de jaren tot en met 2018 ontving. U kon daar bezwaar en beroep tegen instellen als u het met die aanslagen niet eens was geweest. Dat is voor zover ik heb gezien, niet gebeurd.
Verder is het mijn stellige indruk dat u in zo'n mediationtraject weer zult terugkomen op de al oudere historie ( zie verslag) en strijd die u voert o.a. tegen de gemeente. Het fiscale gesprek over die oudere jaren is wat de Belastingdienst betreft nu toch echt afgerond, met alle respect voor uw emoties dienaangaande.”
4.18.
De inspecteur heeft na de afwijzing van het mediationtraject een videogesprek gehouden met belanghebbende en vervolgens een brief gestuurd aan belanghebbende waarbij de verschillende onderwerpen die zijn besproken nader zijn toegelicht.
4.19.
Het hof overweegt als volgt. De inspecteur heeft destijds ter zitting bij het hof gezegd dat hij de klachtenambtenaar zal verzoeken om een mediationtraject op te starten. Een mediationtraject kan niet worden afgedwongen. Een mediationtraject is namelijk gebaseerd op de bereidwilligheid van beide partijen om met elkaar in gesprek te gaan. De inspecteur heeft na afloop van de zitting bij het hof besloten om toch geen mediationtraject op te starten. De inspecteur heeft in plaats daarvan een videogesprek met belanghebbende gehouden en een brief gestuurd waarin uiteen is gezet wat tijdens dat gesprek is besproken. Het hof is van oordeel dat de inspecteur met deze handelwijze niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
4.20.
Gesteld noch gebleken is dat er andere afspraken zijn gemaakt over de belastingjaren 2016 tot en met 2019 die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de aanslagen IB/PVV voor die jaren.
Tussenconclusie
4.21.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.22.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.23.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Oost-Brabant 24 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1106, overweging 4.4 (niet gepubliceerd).
2.Dit betreffen de zaaknummers die de rechtbank heeft aangemaakt voor het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 en de beroepen tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering over de jaren 2016, 2017 en 2018.
3.Conclusie van A-G Niessen van 17 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:617.
4.Vergelijk Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516 en Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132.
5.Artikel 6:7 Awb Pro.
8.Artikel 13, lid 3, AWR.
9.Artikel 15 AWR Pro.