Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3632

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/576
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag afvalledigingen en vergoeding immateriële schade

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag afvalledigingen voor 2021, opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, gebaseerd op 27 ledigingen van een restafvalcontainer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende een beperkte vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep betoogde belanghebbende onder meer dat het recht op inzage in de bezwaarfase was geschonden, de motivering van de uitspraken onvoldoende was, de aanslag te hoog was en de vergoeding van immateriële schade te laag. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was alle stukken voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar te verstrekken, omdat belanghebbende afzag van het recht om te worden gehoord.

Het hof vond de motivering van de heffingsambtenaar en rechtbank over de ledigingen en registratie van de containerledigingen voldoende en oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd. Wel stelde het hof vast dat de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding te laag had vastgesteld en verhoogde deze naar €500. Tevens veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten hoger beroep.

De uitspraak werd gedaan door het hof 's-Hertogenbosch op 17 december 2025, waarbij het hoger beroep gegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk werd vernietigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard voor de vergoeding van immateriële schade en griffierecht, met gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/576
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 mei 2024, nummer SHE 23/748, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag afrekening afvalledigingen voor het belastingjaar 2021 opgelegd voor [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de heffingsambtenaar schriftelijk laten weten dat zij niet zullen verschijnen. Op deze zitting is gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/268.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende, als eigenaar van de onroerende zaak, een aanslag afvalledigingen voor het belastingjaar 2021 opgelegd.
2.2.
De aanslag is vastgesteld op grond van 27 ledigingen van een restafvalcontainer van 240 liter, waarbij op 15 januari 2021, 7 mei 2021 en 21 mei 2021 tweemaal een lediging is geregistreerd (hierna: het overzicht afvalledigingen):
Datum
Tijd
Aantal
21-05-2021
13:23
1
21-05-2021
09:45
1
07-05-2021
13:06
1
07-05-2021
09:13
1
(…)
(…)
(…)
15-01-2021
12:57
1
15-01-2021
09:04
1
2.3.
In de Verordening reinigingsheffingen Helmond 2021 staat dat de afvalstoffenheffing wordt geheven overeenkomstig de tarieventabel. In de tarieventabel is de heffingsmaatstaf bepaald: een vast bedrag voor 6 ledigingen per jaar (€ 219,06) en een aanvullend bedrag vanaf de 7e lediging (€ 8,60):
1 Tarieven afvalstoffenheffing (…)
1.2 Vast bedrag (incl. 6 ledigingen 240 lt) per perceel per jaar € 219,06 (…)
1.6
Bedrag per lediging 240 liter Restafvalcontainer € 8,60 (…)
2.4.
Overeenkomstig de tarieventabel zijn aan belanghebbende in de aanslag 21 extra ledigingen van ieder € 8,60 in rekening gebracht, in totaal € 180,60.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Aan belanghebbende is een vergoeding voor proceskosten in beroep van € 218,50 toegekend.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil is overschreden met vier maanden en geheel aan de bezwaarfase kan worden toegerekend.
De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 50.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen:
i) is het recht op inzage in de bezwaarfase geschonden?
ii) zijn de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd?
iii) is de aanslag tot een te hoog bedrag opgelegd?
iv) heeft de rechtbank de vergoeding van immateriële schade op een te laag bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover bestreden. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot handhaving van de aanslag.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i) Recht op inzage (artikel 7:4, lid 2, Awb)
4.1.
Volgens belanghebbende is sprake van schending van artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De heffingsambtenaar heeft pas in de uitspraak op bezwaar en in beroep nadere stukken naar voren gebracht, die ook in bezwaar hadden kunnen en moeten worden verstrekt. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar kon belanghebbende niet van die stukken op de hoogte zijn geweest omdat ze ook niet met de zaakstukken zijn toegezonden, aldus belanghebbende.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft betwist dat hij niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
4.3.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb legt de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Op grond van artikel 7:4, lid 4, Awb kan een belanghebbende van deze stukken afschriften verkrijgen. Het hof is van oordeel dat, aangezien belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om in bezwaar te worden gehoord, de heffingsambtenaar niet gehouden was om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen of aan belanghebbende toe te zenden. [1] Op deze grond hoefde de heffingsambtenaar dus geen gegevens te verstrekken.
4.4.
De heffingsambtenaar heeft op verzoek van belanghebbende op 5 oktober 2022 wel stukken aan hem verstrekt, te weten het overzicht afvalledigingen (zie 2.2) en geschreven dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken ook ter inzage liggen. Dit betekent niet dat de heffingsambtenaar gehouden was om ook andere gegevens aan belanghebbende toe te zenden. Belanghebbende heeft op 6 oktober 2022 aan de heffingsambtenaar geschreven dat het overzicht afvalledigingen niet correct is omdat op enkele dagen dubbeltellingen zijn vermeld, waarna hij is uitgenodigd voor een hoorzitting. Belanghebbende heeft daarna aan de heffingsambtenaar geschreven dat hij het dossier nogmaals had bestudeerd, naast de aangevoerde bezwaargronden geen aanvullende toelichting had, de hoorzitting daarom niet plaats hoefde te vinden en van het recht om te worden gehoord werd afgezien. De heffingsambtenaar hoefde gelet hierop geen andere gegevens toe te zenden (zie 4.3).
ii) Motivering uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank en iii) hoogte aanslag
4.5.
Volgens belanghebbende zijn de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft in het midden gelaten dat de container door iemand anders kan zijn gebruikt en gelet op de ledigingslocaties ligt dat in de lijn der verwachtingen. Ook een technische registratiefout behoort tot de mogelijkheden. Het zou volgens de heffingsambtenaar de verantwoordelijkheid van de bewoner(s) zelf zijn om ervoor te zorgen dat een container na een lediging niet nogmaals kan worden aangeboden, maar de container wordt soms op een geheel andere plaats teruggevonden dan direct voor de oprit van de woning van belanghebbende. Hij werkt overdag en zit niet voor het raam te wachten totdat de vuilniswagen voorbijrijdt. Noch de heffingsambtenaar, noch de rechtbank overwegen over dit beklag, aldus belanghebbende.
4.6.
Het hof kan belanghebbende in dit standpunt niet volgen. De heffingsambtenaar schrijft in de uitspraak op bezwaar:
“Bij het registreren van een lediging vindt maar liefst viermaal een check plaats (belading vrachtwagen, container gaat omhoog, container wordt geledigd, container wordt op de grond geplaatst). Of de container meerdere keren door de hoofdbewoner, uzelf, of iemand anders is aangeboden (die andere persoon kan de container hebben gepakt en weer opnieuw hebben aangeboden) is niet te controleren. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de bewoner(s) zelf om ervoor te zorgen dat de container na lediging op een plaats wordt gezet zodat de container niet nogmaals kan worden aangeboden en kan worden geregistreerd. (…)
U heeft per e-mail aangegeven dat het in zijn algemeenheid voor komt dat uw container op een andere locatie is terug te vinden. Soms op de kruising met de [adres 2] (wat incidenteel zou zijn). Meestal vindt u ter hoogte van [adres 1] 5 of 11 uw container terug. Helaas hebben bovengenoemde omstandigheden niet geleid tot een gerede twijfel om tot een vermindering of vernietiging van de aanslag over te gaan. Ook op de door u genoemde (afhaal)locaties van uw container rijdt dezelfde vrachtwagen rond. Voorts kan er gezien de verschillende tijdstip-registraties geen sprake zijn van een dubbele registratie direct na elkaar.”
4.7.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift in beroep geschreven dat voor de afhandeling van het bezwaarschrift contact is geweest tussen twee afdelingen van de gemeente, waarbij is aangegeven dat de container op de drie betreffende data dubbel is geregistreerd en aangeboden en op verschillende tijdstippen en locaties is geregistreerd. Bij controle is ook geconstateerd dat daadwerkelijk sprake is geweest van lediging van de container op de aangeven tijdstippen. Vier keer een 1 betreft een goede lediging. Elk ééntje staat voor een fase van de lediging. Eerst het oppakken van de container door de belading (1), vervolgens omhoog brengen van de container (1), daarna het kantelen van de container (1) in de vrachtwagen en tot slot het terugplaatsen van de container (1), aldus de heffingsambtenaar (hierna: ‘het controleoverzicht’):
NUMMER
Dag
tijd
Voertuignummer
ZijdeBelading
Chipnr
Kontrolestring
[nummer 1] (…)
jan 15, 2021
9:04:22 AM
[nummer 2]
R
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
[nummer 1] (…)
jan 15, 2021
12:57:50 PM
[nummer 3]
R
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
NUMMER
Dag
tijd
Voertuignummer
ZijdeBelading
Chipnr
Kontrolestring
[nummer 1] (…)
mei 07, 2021
9:13:00 AM
[nummer 3]
R
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
[nummer 1] (…)
mei 07, 2021
1:06:48 PM
[nummer 3]
L
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
[nummer 1] (…)
mei 21, 2021
9:45:18 AM
[nummer 2]
L
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
[nummer 1] (…)
mei 21, 2021
1:23:08 PM
[nummer 2]
L
[nummer 1] (…)
[nummer 4]
4.8.
In rechtsoverweging 5.1 gaat de rechtbank in op de in beroep door belanghebbende aangevoerde gronden en overweegt:
“De heffingsambtenaar heeft nader onderzoek gedaan naar het aantal ledigingen en
daarbij op de hiervoor genoemde data een extra controle uitgevoerd. Daarbij is
geconstateerd dat de container ook is aangeboden op de [adres 3] . De woning van
eiser is volgens de heffingsambtenaar niet gelegen aan de andere kant van het blok en is via
een zijpad, gelegen naast de woning van eiser, bereikbaar. Ter onderbouwing heeft de
heffingsambtenaar twee overzichtskaarten en twee printscreens van de feitelijke situatie
toegevoegd. De afvalcontainers op de [adres 3] worden volgens de
heffingsambtenaar op een later moment geledigd dan die op de [adres 1] . De
heffingsambtenaar heeft een document overgelegd waaruit valt op te maken dat de
containerchip is uitgelezen. Elke fase van lediging wordt in de “Kontrolestring” door middel
van een ‘1’ vastgelegd om te kunnen spreken van de geslaagde lediging. Dat document heeft
de heffingsambtenaar overgelegd. Wat eiser heeft aangevoerd is onvoldoende voor de
rechtbank om aan de constateringen van de heffingsambtenaar te twijfelen.”
4.9.
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt die tot de zijne. Van schending van het motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake, ook niet ten aanzien van de uitspraak op bezwaar. Dat wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Bij dit oordeel is betrokken wat belanghebbende nog heeft aangevoerd over het controleoverzicht, waarop volgens hem nogal wat op valt af te dingen. In het controleoverzicht staat weliswaar dat de beladingszijde van het voertuig eerst rechts en daarna links was, maar het standpunt van belanghebbende dat de vrachtwagen altijd dezelfde route zou rijden blijkt nergens uit. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding om aan het controleoverzicht te twijfelen. Volgens belanghebbende blijkt uit het controleoverzicht niet dat de container met inhoud was gevuld op het moment van lediging, maar ook dit baat hem niet. Het belastbare feit is in dit geval iedere lediging van de container van 240 liter (zie 2.3) en vast staat dat de container op de drie betreffende data tweemaal is aangeboden en tweemaal is geleegd (ochtend en middag). Tot slot zou de container volgens belanghebbende door iemand anders kunnen zijn gebruikt, maar dat neemt niet weg dat belanghebbende zelf belastingplichtige is en de heffing verschuldigd is.
4.10.
Belanghebbende heeft de hoogte van de aanslag voor wat betreft het tarief voor de extra ledigingen niet betwist. Het tarief is ook overeenkomstig de tarieventabel (€ 8,60, zie 2.3). Dit betekent dat de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
iv) Hoogte vergoeding van immateriële schade
4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in eerste aanleg is overschreden. Ook de omvang van de overschrijding en de toerekening ervan aan de heffingsambtenaar zijn niet in geschil (zie 2.7).
4.12.
Voor de vergoeding van immateriële schade dient in dit geval als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [2] In bijzondere gevallen kan er aanleiding bestaan om af te wijken van de regel dat de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden, van belang is voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade.
4.13.
Vast staat dat het financiële belang meer bedraagt meer dan € 15 en onderhavige zaak valt onder het overgangsrecht zoals bedoeld in het arrest van 14 juni 2024 (zie voetnoot 2). In de omvang van het belang kon de rechtbank daarom geen aanleiding vinden om deze zaak aan te merken als een bijzonder geval waarin reden bestaat om af te wijken van het tarief van € 500 per half jaar. [3] De rechtbank heeft aldus de hoogte van de vergoeding van immateriële schade op een te laag bedrag berekend. Belanghebbende heeft, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, recht op een vergoeding van € 500, geheel toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. Op de verschuldigde bedragen aan vergoeding van immateriële schade komen reeds uitbetaalde bedragen in mindering.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.17.
Het hof stelt deze tegemoetkoming met toepassing van artikel 2, lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de hoger beroepsfase op 1 punt [4] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) [5] is € 226,75.
4.18.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Bpb heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen van de rechtbank over de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van in totaal € 188 vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 226,75.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:AE3833 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107.
2.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, onder 3.2.1 (hierna: het arrest van 14 juni 2024).
3.Hoge Raad 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122.
4.1 punt voor het beroepschrift in hoger beroep, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
5.Zie de bijlage bij de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2. Belanghebbende is alleen in het gelijk gesteld voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding en de vergoeding van het griffierecht.