ECLI:NL:GHSHE:2025:3703

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/959 tot en met 24/967
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BPMArt. 10 Wet BPMArt. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep BPM naheffingsaanslagen registratie luxe auto’s en kostenvergoedingen

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen zeven naheffingsaanslagen BPM voor de registratie van negen luxe auto’s. De rechtbank behandelde de beroepen en wees een deel toe, deels wees zij deze af. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

Het geschil betrof onder meer de toepassing van de herleidingsmethode voor BPM-berekening, de juistheid van de handelsinkoopwaarden gebaseerd op referentievoertuigen van andere merken, de toepassing van een extra leeftijdskorting en de hoogte van de kostenvergoeding voor bezwaar en beroep.

Het hof oordeelde dat de herleidingsmethode niet toepasbaar is en dat de referentievoertuigen van een ander merk en model niet als gelijksoortig kunnen worden beschouwd voor de taxatiemethode. De rechtbank had de handelsinkoopwaarden in goede justitie vastgesteld. De rechtbank had ten onrechte de extra leeftijdskorting niet toegepast bij één auto en had onjuist het lage tarief voor kostenvergoeding gehanteerd. Het hof stelde de kostenvergoedingen voor bezwaar en beroep vast op hogere tarieven en matigde de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep vanwege het beperkte succes.

De hoger beroepen voor zeven van de negen zaken werden gegrond verklaard, waarbij de naheffingsaanslagen en kostenvergoedingen werden aangepast. Twee zaken werden ongegrond verklaard. Het hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan op 24 december 2025 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hof verklaart zeven hoger beroepen gegrond, wijzigt naheffingsaanslagen en kostenvergoedingen, en bevestigt twee afwijzingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/959 tot en met 24/967
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 mei 2024, nummers BRE 23/3720, 23/3758, 23/1686, 22/3947, 22/3965, 22/5049, 22/5050, 22/5054 en 22/5193, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende 7 naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van de registratie van 9 auto’s. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ter zake van 2 naheffingsaanslagen gegrond verklaard. De bezwaren ter zake van de overige 5 naheffingsaanslagen zijn door de inspecteur ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gevoegd behandeld en heeft in een uitspraak 4 beroepen gegrond en de overige 5 beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in de periode van 24 december 2015 tot en met 15 december 2021 de volgende bedragen aan BPM op aangifte voldaan ter zake van de registratie van 9 auto’s. Het betreft de hierna volgende auto’s, waarbij ook wordt vermeld het zaaknummer waaronder de auto’s bekend stonden bij de rechtbank en het zaaknummer, zoals door het hof toegekend.
Auto
Zaaknummer rechtbank
Zaaknummer hof
Merk/model
Bpm-bedrag op aangifte voldaan
1
23/3720
24/959
Lamborghini S Urus met VIN-nummer [VIN-nummer 1]
€ 36.886
2
23/3758
24/960
Ferrari Portofino 3.9 V8 HELE met VIN-nummer [VIN-nummer 2]
€ 21.705
3
23/1686
24/961
Ferrari 812 6.5 V12 Superfast HELE met VIN-nummer [VIN-nummer 3]
€ 41.569
4
22/3947
24/962
BMW X3 2.8 Drive High met VIN-nummer [VIN-nummer 4]
€ 2.449
5
22/3965
24/963
Volkswagen Tiguan 1.4 TSI Sport met VIN-nummer [VIN-nummer 5]
€ 1.093
6
22/5049
24/964
Rolls Royce Cullinan met VIN-nummer [VIN-nummer 6]
€ 32.770
7
22/5050
24/965
Ferrari F8 Spider met VIN-nummer [VIN-nummer 7]
€ 169 [1]
8
22/5054
24/966
Ferrari Roma met VIN-nummer [VIN-nummer 8]
€ 25.368
9
22/5193
24/967
Porsche 911 Turbo S met VIN-nummer [VIN-nummer 9]
€ 21.239
2.2.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM per auto als volgt moet worden vastgesteld en heeft de volgende naheffingsaanslagen opgelegd.
Auto 1 en auto 2
2.3.
Voor auto 1 bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 55.343, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 1.865, is € 53.478.
2.4.
Voor auto 2 heeft belanghebbende aangifte gedaan aan de hand van een koerslijstwaarde van een Bentley Continental GTC. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van de vraagprijzen van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge (marktonderzoek). Voor auto 2 bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 32.046.
2.5.
Voor auto’s 1 en 2 is met dagtekening 10 september 2021 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 26.933, waarvan € 16.592 betrekking heeft op auto 1 en € 10.341 betrekking heeft op auto 2. De rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot deze auto’s gegrond verklaard en heeft de verschuldigde BPM voor auto 1 berekend op het bedrag van € 37.832 en de verschuldigde BPM voor auto 2 berekend op € 27.587. De rechtbank heeft op basis hiervan de naheffingsaanslag verminderd tot het bedrag van € 6.828, heeft de inspecteur voorts veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 1.000, heeft de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.370 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.
Auto 3
2.6.
Voor auto 3 heeft belanghebbende aangifte gedaan aan de hand van een koerslijstwaarde van een Lamborghini Aventador. Het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM voor deze auto bedraagt € 56.489. Dit bedrag aan BPM is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze gunstiger uitpakte voor belanghebbende. De inspecteur heeft met dagtekening 30 juli 2021 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 14.920. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot deze auto gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot het bedrag van € 9.498. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.370 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.
Auto’s 4 en 5
2.7.
Voor auto’s 4 en 5 is met dagtekening 7 februari 2020 een naheffingsaanslag opgelegd van € 3.653. Daarbij is € 590 aan belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard en heeft de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente vernietigd. Daarbij is aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 269 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift). De rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot deze auto’s ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 500, heeft de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.
Auto 6
2.8.
Voor auto 6 heeft belanghebbende aangifte gedaan aan de hand van marktonderzoek, waarbij rekening is gehouden met restwaardepercentage gebaseerd op (onder andere) een Ranger Rover SV Autobiography en de Bentley Bentayga. Voor het vaststellen van de restwaarde van de opties is gebruik gemaakt van de koerslijst. Voor deze auto bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 39.680. Dit bedrag aan BPM is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze gunstiger was voor belanghebbende. De inspecteur heeft met dagtekening 11 maart 2022 een naheffingsaanslag opgelegd van € 6.910. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot deze auto ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 500, heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de minister het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.
Auto 7
2.9.
Voor auto 7 heeft belanghebbende aangifte gedaan aan de hand van een koerslijstwaarde van een Bentley Continental GT. Voor deze auto bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 52.654. Dit bedrag aan BPM is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze gunstiger was voor belanghebbende. De inspecteur heeft met dagtekening 18 februari 2022 een naheffingsaanslag opgelegd van € 52.485. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot deze auto ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de inspecteur voorts veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 167, heeft de minister veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 333, heeft de inspecteur en de minister ieder veroordeeld tot betaling van € 109,38 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de inspecteur en de minister het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365, derhalve ieder € 182,50.
Auto 8
2.10.
Voor auto 8 heeft belanghebbende aangifte gedaan aan de hand van een koerslijstwaarde van een Bentley Continental GT. Voor deze auto bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 47.294. De inspecteur heeft met dagtekening 4 maart 2022 een naheffingsaanslag opgelegd van € 21.926. Het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is gegrond verklaard. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd naar € 10.138. Daarbij is aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 538. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot deze auto ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 500, heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de minister het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.
Auto 9
2.11.
Voor auto 9 bedraagt het door de inspecteur vastgestelde bedrag aan BPM € 26.682 te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 595, is afgerond € 26.086. De inspecteur heeft met dagtekening 18 maart 2022 een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.847. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot deze auto gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot het bedrag van € 4.494. De rechtbank heeft de minister voorts veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding ter grootte van € 500, heeft de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 3.190,10 aan proceskosten aan belanghebbende, en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 365.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil beperkt zich in hoger beroep (zo heeft belanghebbende desgevraagd ter zitting bevestigd) tot het antwoord op de volgende vragen:
Dienen de naheffingsaanslagen te worden verminderd in verband met de toepassing van de herleidingsmethode (auto’s 2, 3, 6, 7, 8 en 9)?
Kunnen de handelsinkoopwaarden voor auto’s 2, 3, 6, 7 en 8 worden vastgesteld aan de hand van de taxatierapporten van belanghebbende?
Heeft de rechtbank terecht geen extra leeftijdskorting in aanmerking genomen voor auto 8?
Is de kostenvergoeding in bezwaar voor de auto’s 1, 2, 3, 4, 5, 8 en 9 juist vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep met betrekking de auto’s 1, 2, 3, 4, 5, 8 en 9.
3.3.
Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting bij het hof de stelling, inhoudende dat de rechtbank de proceskostenvergoeding in verband met de immateriëleschadevergoeding (auto’s 1, 2, 3 en 9) onjuist heeft berekend, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Herleidingsmethode (auto’s 2, 3, 6, 7, 8 en 9)
4.1.
Belanghebbende stelt dat de verschuldigde BPM moet worden bepaald op basis van de herleidingsmethode. Deze methode houdt in dat de verschuldigde BPM wordt herleid uit de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s. Belanghebbende is op de hoogte van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [2] maar verzoekt het hof om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.2.
De inspecteur heeft verwezen naar het wettelijke systeem vervat in de artikelen 9 en 10 Wet BPM. De wetgever biedt voor de berekening van de bij invoer van een gebruikte auto verschuldigde BPM drie methoden aan. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingsmethode van belanghebbende behoort daar niet toe.
4.3.
Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende onder verwijzing naar het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd heeft het hof geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit oordeel hoeft niet nader te worden gemotiveerd. Vraag i wordt ontkennend beantwoord.
Handelsinkoopwaarde (auto’s 2, 3, 7 en 8)
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat auto’s 2, 3, 7 en 8 niet voorkomen in een koerslijst en dat de verschuldigde BPM kan worden berekend volgens de taxatiemethode. [3] Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat kan worden uitgegaan van een koerslijst van de hierna volgende auto’s.
Nr.
Auto
Referentievoertuig
2
Ferrari Portofino
Bentley Continental GTC
3
Ferrari 812 Superfast
Lamborghini Aventador
7
Ferrari F8 Spider
Bentley Continental GTC
8
Ferrari Roma
Bentley Continental GTC
4.5.
Belanghebbende stelt dat de hierboven genoemde referentievoertuigen in voldoende mate vergelijkbaar zijn met auto’s 2, 3, 7 en 8 om te kunnen dienen voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende meent dat uit rechtsoverweging 4.2.7 van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025 [4] volgt dat sprake dient te zijn van een vergelijkbare auto, een referentie, en niet noodzakelijkerwijs een auto van het zelfde merk en type. Verder heeft de inspecteur naar de mening van belanghebbende niet gesteld dat de door belanghebbende ingevoerde auto’s wel voorkomen in de koerslijsten. De inspecteur heeft evenmin koerslijsten overgelegd van beter vergelijkbare auto’s. Nu de inspecteur de handelsinkoopwaarde enkel betwist zonder een koerslijst met een betere, meer vergelijkbare auto te overleggen, is er geen sprake van een voldoende gemotiveerde betwisting en dient te worden aangesloten bij de door belanghebbende gestelde handelsinkoopwaarde, aldus belanghebbende.
4.6.
De inspecteur stelt dat de gebruikte koerslijsten in alle gevallen niet de koerslijsten zijn van de referentievoertuigen die het dichtst aanleunen tegen die van de geïmporteerde auto. In ieder geval het merk, het model, het type en de uitrusting wijken af. De inspecteur meent dat uit het arresten van de Hoge Raad van 3 oktober 2025 [5] , van 22 december 2023 [6] , van 20 mei 2022 [7] en van 21 februari 2020 [8] volgt dat met referentievoertuig is bedoeld een voertuig waarvan eigenschappen en kenmerken, zoals merk en model, het dichtst aanleunen tegen het te registreren voertuig. Als uitgangspunt is dat een auto van hetzelfde merk en model. Naar de mening van de inspecteur is dit een voldoende betwisting. Voor betwisting is immers niet vereist dat er een andere, dan wel betere koerslijst wordt overgelegd, aldus de inspecteur. Tot slot stelt de inspecteur dat, nu de inkoopfacturen voor auto’s 2, 3, 7 en 8 ontbreken, de taxatiemethode niet toegepast kan worden.
4.7.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de door hem bepleite handelsinkoopwaardes niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de inspecteur evenmin de door hem bepleite handelsinkoopwaardes, voor wat betreft auto’s 2, 3, en 8, aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft de handelsinkoopwaardes voor deze auto’s in goede justitie vastgesteld. Met betrekking tot auto 7 heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur de door hem bepleite handelsinkoopwaarde wel aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep is in geschil of de handelsinkoopwaarde kan worden bepaald met gebruikmaking van de koerslijsten van de door belanghebbende geselecteerde referentievoertuigen. Zo dat het geval is, is tussen partijen niet in geschil dat de handelsinkoopwaardes moeten worden vastgesteld op het door belanghebbende bepleite bedrag. Zo dat niet het geval is – dat wil zeggen, de koerslijsten van de door belanghebbende geselecteerde referentievoertuigen kunnen niet dienen als onderbouwing voor de handelsinkoopwaardes – dan is tussen partijen niet in geschil dat voor de handelsinkoopwaardes kan worden aangesloten bij het oordeel van de rechtbank.
4.8.
Het hof stelt voorop dat voor gebruikte personenauto’s geldt dat het volgens artikel 10, lid 1, Wet BPM bij die personenauto behorende bedrag aan belasting wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [9] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. Die bewijsregel geldt ook indien de belasting wordt geheven door middel van een naheffingsaanslag. [10] De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken. Dit een en ander brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor een van die methoden, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken, die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.
4.9.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt niet in artikel 10, lid 2, Wet BPM geregeld maar, voor wat betreft de taxatiemethode, in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [11]
4.10.
Anders dan de inspecteur bepleit, volgt naar het oordeel van het hof niet uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een referentievoertuig van hetzelfde merk en model dient te zijn als de te registreren auto. Wel dienen eigenschappen en kenmerken van het referentievoertuig zodanig te zijn dat het referentievoertuig als gelijksoortig kan worden beschouwd met de te registreren auto. Gelijksoortig betekent naar het oordeel van het hof in dit kader: van dezelfde soort of sterk vergelijkbaar voor wat betreft kenmerken. Hierbij spelen, onder meer, het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting een rol.
4.11.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de door hem aangedragen referentievoertuigen niet aan zijn bewijslast voldaan. De referentievoertuigen wijken ten opzichte van de te registreren auto’s af in merk, model, CO2-uitstoot en uitrusting. De enige overeenkomst is het feit dat het hier om zeer luxueuze (sport)auto’s gaat.
Het is daarbij niet doorslaggevend dat de referentievoertuigen van een ander merk zijn. Belanghebbende heeft evenwel geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat het hier gaat om een gelijksoortig voertuig, waarvan de eigenschappen en kenmerken het dichtst aanleunen bij die van de te registreren auto. De enkele stelling van belanghebbende dat het niet uitmaakt dat de auto’s in technisch opzicht verschillen omdat het allemaal ‘supercars’ zijn, die in de ogen van de consument in een gelijke economische context en concurrentiepositie staan, acht het hof dan ook onvoldoende.
De referentievoertuigen zijn niet van dezelfde soort, nu zij voor wat betreft merk en model afwijken. Ook zijn de referentievoertuigen niet in voldoende mate vergelijkbaar met de te registreren auto, nu de essentiële kenmerken niet overeenkomen.
4.12.
Uit bovenstaande volgt dat de handelsinkoopwaardes niet kunnen worden bepaald met gebruikmaking van de koerslijsten van de door belanghebbende geselecteerde referentievoertuigen. In dat geval behoeft de stelling van de inspecteur, inhoudende dat de taxatiemethode niet toegepast kan worden vanwege het ontbreken van inkoopfacturen, wat daar ook van zij, geen verdere behandeling. Vraag ii dient ontkennend te worden beantwoord.
Handelsinkoopwaarde (auto 6)
4.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat auto 6 niet voorkomt in een koerslijst en dat de verschuldigde BPM kan worden berekend volgens de taxatiemethode. [12] Belanghebbende heeft aangifte gedaan waarbij zij gebruik heeft gemaakt van de gemiddelde vraagprijs van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge (marktonderzoek).
4.14.
De rechtbank heeft als volgt geoordeeld.
“5.47. De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat het marktonderzoek van belanghebbende niet kan worden gevolgd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende is uitgegaan van vier referentievoertuigen, maar de gemiddelde vraagprijs daarvan heeft gecorrigeerd met een restwaardepercentage op basis van andere vergelijkbare voertuigen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe deze handelsinkoopwaarde tot stand is gekomen.
5.48.
Voor dat geval stelt belanghebbende zich subsidiair op het standpunt dat voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021, dient te worden uitgegaan van het referentievoertuig met de laagste handelsinkoopwaarde uit het rapport van DRZ.
5.49.
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder rechtsoverweging 5.11 heeft geoordeeld.
5.50.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat, zoals belanghebbende terecht heeft gesteld, de inspecteur met het door hem overgelegde marktonderzoek, de handelsinkoopwaarde evenmin aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur is uitgegaan van de vraagprijzen van twee Rolls Royces uit verschillende bouwjaren. Vanwege leeftijd heeft vervolgens een correctie van € 100.000 plaatsgevonden. De hoogte van deze correctie is niet onderbouwd. Ook de in aanmerking genomen handelsmarge van 23% is niet nader onderbouwd. Het marktonderzoek van de inspecteur kan daarom ook niet worden gevolgd.
5.51.
De rechtbank is van oordeel dat beide partijen de handelsinkoopwaarde voor auto 6 niet aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde daarom in goede justitie vast op € 245.000.”
4.15.
Het hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, mede gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12.
Extra leeftijdskorting (auto 8)
4.16.
Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd de extra leeftijdskorting in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de verschuldigde BPM. Uitgaande van de door de rechtbank in goede justitie vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 228.000 en de extra leeftijdskorting, bedraagt de verschuldigde BPM € 34.725, zodat de naheffing dient te worden verminderd tot € 9.357, aldus belanghebbende.
4.17.
Ook de inspecteur is de mening toegedaan dat de berekening zoals die door de rechtbank is gemaakt niet juist is. De te betalen BPM, inclusief de leeftijdskorting, bedraagt € 34.724.
4.18.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank heeft verzuimd de extra leeftijdskorting toe te passen op auto 8, zal het hof partijen in hun standpunt volgen.
Kostenvergoeding bezwaar en beroep
4.19.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtbank en de inspecteur bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 269 per punt hebben gehanteerd.
4.20.
Deze klacht is gegrond. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [13] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 647 per punt (tarief 2025). Omdat de rechtbank het bedrag van de kostenvergoeding voor bezwaar en de proceskostenvergoeding voor het beroep in één bedrag in het dictum heeft genoemd, zal het hof de proceskostenvergoeding voor het beroep eveneens opnieuw vaststellen naar de huidige tarieven. [14] Het hof ziet daarbij geen aanleiding om af te wijken van de wegingsfactor die door de rechtbank is gehanteerd.
4.21.
Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd in te kunnen stemmen met de door de inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep gemaakt berekening, met dien verstande dat voor het tarief per punt dient te worden aangesloten bij het tarief voor het jaar 2025.
Kostenvergoeding bezwaar en beroep (auto 1 en 2)
4.22.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde een bezwaarschrift heeft ingediend, de hoorzitting heeft bijgewoond, een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting van de rechtbank heeft deelgenomen.
4.23.
Het hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 (punten) [15] x € 647 (waarde per punt) is € 1.294. De vergoeding voor de beroepsfase bij de rechtbank bedraagt 2 (punten) [16] x € 907 (waarde per punt) is € 1.814.
Kostenvergoeding bezwaar en beroep (auto 3)
4.24.
Hetgeen is vermeld onder 4.19 en 4.20 geldt ook voor auto 3.
Kostenvergoeding bezwaar en beroep (auto 4 en 5)
4.25.
De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft belanghebbende een vergoeding voor kosten in bezwaar toegekend ten bedrage van € 269.
4.26.
Het hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 1 (punt) [17] x € 647 (waarde per punt) is € 647.
Kostenvergoeding bezwaar (auto 8)
4.27.
De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en heeft de hoorzitting bijgewoond. De inspecteur heeft belanghebbende een vergoeding voor kosten in bezwaar toegekend ten bedrage van € 538.
4.28.
Het hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 (punten) [18] x € 647 (waarde per punt) is € 1.294. Het hof stelt de vergoeding voor de beroepsfase bij de rechtbank vast op 2 (punten) [19] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.
Kostenvergoeding bezwaar (auto 9)
4.29.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde een bezwaarschrift heeft ingediend, de hoorzitting heeft bijgewoond, een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting van de rechtbank heeft deelgenomen.
4.30.
Het hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 (punten) [20] x € 647 (waarde per punt) is € 1.294. De vergoeding voor de beroepsfase bij de rechtbank bedraagt 2 (punten) [21] x € 907 (waarde per punt) is € 1.814. De rechtbank heeft de proceskosten als bedoeld in artikel 2, lid 1, Bpb voor belanghebbende vastgesteld op het bedrag van € 820,10. Het hof zal de rechtbank daarin volgen.
Tussenconclusie
4.31.
De slotsom is dat de hoger beroepen met zaaknummers 24/959, 24/960, 24/961, 24/962, 24/963, 24/966 en 24/967 gegrond zijn. De hoger beroepen met zaaknummers 24/964 en 24/965 zijn ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.32.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (deels) wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.33.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen met zaaknummers 24/959, 24/960, 24/961, 24/962, 24/963, 24/966 en 24/967 gegrond zijn. Daarbij wordt uitgegaan van zeven samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.
4.34.
De Hoge Raad heeft op 26 september 2025 [22] geoordeeld dat voor alle zaken die de gemachtigde in 2024 heeft ingediend ervan wordt uitgegaan dat de gemachtigde niet op basis van no cure no pay werkt. Aangezien de onderhavige zaak is ingediend in 2024 zal het hof de vergoeding van de proceskosten van deze hogerberoepsprocedure berekenen zonder inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM. Wel ziet het hof aanleiding tot matiging van de proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase, omdat het hoger beroep van belanghebbende enkel gegrond is voor zover het gaat om de waarde per punt die de inspecteur heeft gehanteerd bij het vaststellen van de kostenvergoeding voor het bezwaar, alsmede vanwege de niet in geschil zijnde toepassing van de extra leeftijdskorting. Hierdoor wordt belanghebbende uitsluitend in het gelijk gesteld op punten van ondergeschikt belang. [23]
4.35.
Gelet op het voorgaande stelt het hof de proceskostenvergoeding voor hoger beroep, mede op grond van artikel 2, lid 2, eerste volzin, Bpb, vast op 2 (punten) [24] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 680,25.
4.36.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb Pro heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep met
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de (proces)kostenvergoeding;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.814, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • verklaart het hoger beroep met
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de (proces)kostenvergoeding;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.814, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • verklaart het hoger beroep met
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de kostenvergoeding;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 647, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • verklaart het hoger beroep met
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 9.357;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.814, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • verklaart het hoger beroep met
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de (proces)kostenvergoeding;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 2.634,10, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
- verklaart de hoger beroepen met
zaaknummers 24/964 en 24/965ongegrond;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 680,25.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Belanghebbende heeft op of rondom 24 december 2021 contact gehad met de inspecteur en daarbij aangegeven dat per abuis het bedrag van € 169 aan BPM is aangegeven en betaald. Belanghebbende heeft toen ook aangegeven dat het juiste bedrag aan BPM € 34.472 had moeten zijn.
2.Zie Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134 en Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1474.
3.Artikel 10, lid 8, Wet BPM zoals deze gold tot 1 januari 2025.
9.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
11.Vergelijk ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
12.Artikel 10, lid 8, Wet BPM zoals deze gold tot 1 januari 2025.
14.Vgl. Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1665.
15.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, zie Bpb.
16.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.
17.1 punt voor het bezwaarschrift, zie Bpb.
18.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, zie Bpb.
19.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.
20.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, zie Bpb.
21.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.
23.Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2. en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659, r.o. 2.2.2.
24.1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.