Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde dat de termijnoverschrijding meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden bedroeg en kende daarom een vergoeding van € 1.500 toe.
De Hoge Raad veroordeelde de Staat niet in de proceskosten van het geding zelf, maar wel in de kosten van belanghebbende voor het cassatieberoep, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 3 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.