ECLI:NL:GHSHE:2025:3707

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/551
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 13 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 3.53 lid 1 letter a Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat geen piekvereiste geldt voor vorming onderhoudsvoorziening woningcorporatie

Belanghebbende, een woningcorporatie met ruim 33.000 verhuureenheden, had voor het jaar 2016 een onderhoudsvoorziening gevormd van ruim €142 miljoen. De inspecteur stelde dat voor het vormen van een dergelijke voorziening een piekvereiste geldt, waarbij onderhoudskosten in een jaar substantieel hoger moeten zijn dan gemiddeld. Tevens stelde de inspecteur dat het criterium ‘groot-onderhoud’ uit het arrest BNB 1981/1 van toepassing is.

De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, en de inspecteur ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat het Baksteenarrest van de Hoge Raad geen aanknopingspunten biedt voor een piekvereiste bij onderhoudsvoorzieningen. Ook het arrest BNB 1981/1 betreft een egalisatiereserve en niet een voorziening, waardoor het criterium ‘groot-onderhoud’ niet van toepassing is.

Het hof bevestigde dat belanghebbende een onderhoudsvoorziening mag vormen van €54.287.525 per 31 december 2016, zonder toepassing van een piekvereiste of het criterium ‘groot-onderhoud’. Het hoger beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt dat geen piekvereiste geldt voor de onderhoudsvoorziening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/551
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 maart 2023, nummer BRE 21/628, in het geding tussen
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2016 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag, de inspecteur verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De inspecteur heeft hiermee ingestemd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de andere partij. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting haar pleitnota ingediend. Deze pleitnota is doorgestuurd naar de andere partij en wordt met instemming van partijen geacht te zijn voorgelezen ter zitting.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam] en haar gemachtigden [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , en, namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
1.7.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:
‘2. Belanghebbende is een woningcorporatie. Zij bezit ruim 33.000 verhuureenheden.
Het betreft ongeveer 600 complexen van woningen.
2.1.
Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2016
een voorziening groot onderhoud (onderhoudsvoorziening) opgenomen van € 142.669.765.
2.2.
Belanghebbende legt jaarlijks de uitgangspunten voor onder meer de (commerciële) onderhoudsuitgaven vast in een technische complexanalyse (TCA). In de TCA is opgenomen de technische kwaliteit van de woningen, de onderhoudsstrategie en met welk kwaliteitsniveau het onderhoud zal worden verricht. Deze TCA wordt per complex gemaakt en ziet enkel op planmatig (groot)onderhoud. De werkzaamheden die volgen uit de TCA worden opgenomen in het programma O-prognose. De uitgaven die volgen uit de TCA en O-prognose vormen de basis voor het bepalen van de fiscale onderhoudsvoorziening. Ook betreft dit de basis voor de meerjarenbegroting. De in 2.1 vermelde voorziening heeft betrekking op zowel dit planmatig onderhoud als extra onderhoud dat wordt verricht als huurders een woning verlaten.
2.3.
In november 2018 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de in de aangifte opgenomen onderhoudsvoorziening. De bevindingen
van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 20 november 2020.
2.4.
Lopende het boekenonderzoek zijn belanghebbende en de inspecteur overeengekomen dat zij de voorwaarden die gesteld moeten worden aan het vormen van een fiscaal aftrekbare onderhoudsvoorziening voor het planmatig onderhoud ter beoordeling aan de rechter voor willen leggen. Zij hebben ervoor gekozen om de feiten en omstandigheden daaraan voorafgaande vast te stellen zodat enkel het principiële geschil aan de rechter wordt voorgelegd. Daartoe hebben zij een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten op 12 november 2020
[hof: hierin wordt belanghebbende aangeduid als Partij A en de inspecteur als Partij B].
2.5.
In de VSO is onder andere het volgende opgenomen:
"
3. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid
(...)
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 33 417, BNB 1998/409 – veelal aangeduid als het Baksteenarrest – kan een voorziening worden gevormd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
• De oorsprong-eis
• De toerekening-eis
• De redelijke mate van zekerheid-eis
Het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 2020, nr. 2019-129344, alsmede het memo van de Belastingdienst van 21 september 2016 (V-N 2016/57.9) geven de visie van Partij B weer over de invulling van de voorwaarden voor de vorming van de onderhoudsvoorziening.
Het besluit van 26 februari 2020 is een actualisering van het besluit van 6 augustus 2010, nr.
DGB2010/3706M. Met de tekstuele aanpassingen zijn inhoudelijk geen wijzigingen beoogd.
Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van de hierboven opgenomen eisen.
Partij B is onder andere het volgende van mening:
"Een voorziening groot onderhoud is gerechtvaardigd als de toekomstige, aftrekbare
onderhoudsuitgaven waarvoor de voorziening wordt gevormd in het jaar waarin de
onderhoudswerkzaamheden worden verricht, naar verwachting en verhoudingsgewijs aanzienlijk zullen zijn."
Dat leidt onder omstandigheden tot de volgende conclusie:
'Het is mogelijk dat de (toekomstige) onderhoudsuitgaven voor panden of (het) vastgoedcomplex(en) zich op ondernemingsniveau al gelijkmatig verdelen over de jaren. Op grond van dergelijke feiten en omstandigheden is er binnen goed koopmansgebruik geen rechtvaardiging voor de vorming van een voorziening groot onderhoud" (besluit 26 februari 2020, nr. 2019-129344).
In het Memo van de Belastingdienst van 21 september 2016 (V-N 2016/57.9) had de Belastingdienst op basis van dezelfde uitgangspunten een zelfde uitwerking gegeven. De onderbouwing van de standpunten van Partij B zullen uitgebreid worden toegelicht in het verweerschrift.
Partij A is van mening dat:
"Goed koopmansgebruik niet eist dat de vorming van een onderhoudsvoorziening op grond van de toerekening-eis en oorsprong-eis slechts mogelijk is indien de onderhoudsuitgaven in enig jaar substantieel afwijken van de normale omvang van de onderhoudsuitgaven van Partij A op ondernemingsniveau (piek–vereiste). In het Baksteen-arrest van de Hoge Raad wordt niet gesproken over een dergelijk piek–vereiste. Het piek–vereiste past ook niet bij het karakter van de onderhoudsvoorziening. Het karakter van een voorziening is juist dat de toekomstige uitgaven aan de jaren worden toegerekend die tot die toekomstige uitgaven leiden (toerekening aan slijtage/gebruik nu), hetgeen volledig in overeenstemming is met goedkoopmansgebruik. Het doel van de voorziening betreft niet de egalisatie van kosten, dat is slechts een consequentie daarvan. Het is partij A onduidelijk met welk beginsel van goedkoopmansgebruik er strijdigheid zou bestaan, indien een onderhoudsvoorziening wordt gevormd bij de aanwezigheid van een gelijkmatige verdeling van onderhoudsuitgaven voor panden over de jaren op ondernemingsniveau. De onderbouwing van de standpunten van Partij A zullen uitgebreid worden toegelicht in het beroepschrift. Voorgaande passage betreft een beknopte samenvatting van standpunt van Partij A en kan in het beroepschrift worden aangevuld of uitgebreid waar Partij A dit nodig acht."
In het kader van bovenstaande geschil stellen Partijen in deze vaststellingsovereenkomst vast wat de hoogte van de onderhoudsvoorziening is indien:
a. de rechter van mening is dat geen rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals hiervoor omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst:
b. de rechter van mening is dat wel rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals hiervoor omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst.
Aldus kan een zuivere rechtsvraag worden voorgelegd, waarbij de rechter zich niet behoeft uit te laten over de feitelijke hoogte van de onderhoudsvoorziening in 2016.
(…)
7. Gevolgen
(...)
Tussen Partijen bestaat overeenstemming over de hoogte van de voorziening voor planmatig
onderhoud indien:
a. de rechter in hoogste instantie van mening is dat geen rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst. De voorziening voor planmatig onderhoud bedraagt in dit geval op 31 december 2016 € 54.287.525:
b. de rechter in hoogste instantie van mening is dat wel rekening dient te worden gehouden met het standpunt van Partij B zoals omschreven in onderdeel 3 van deze overeenkomst. De voorziening voor planmatig onderhoud op 31 december 2016 mag dan worden gesteld op € 280.000. Partij A heeft aangegeven om in dat geval de voorziening geheel te laten vrijvallen in de aangifte Vpb 2016, aangezien de jaarlijkse administratieve lasten voor partij A te hoog worden in verhouding tot de hoogte van de te vormen voorziening planmatig onderhoud. Conform het rapport wordt de voorziening per ultimo 2016 dan terug gebracht naar nul.”
2.6.
De definitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 is opgelegd met
dagtekening 12 december 2020, waarbij het volledige bedrag aan opgenomen voorziening
groot onderhoud is gecorrigeerd.’.
2.2.
Het hof vult deze feiten aan met het volgende.
2.3.
De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 130.849.319. Tevens is bij beschikking € 89.177 belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
In het proces–verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft de rechtbank vastgelegd:
‘Partijen bevestigen dat enkel in geschil is of een piekvereiste geldt en alleen als deze vraag
bevestigend wordt beantwoord of dat piekvereiste op ondernemingsniveau getoetst moet
worden dan wel of dit op complexniveau mag.’

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is bij het vormen van een onderhoudsvoorziening vereist dat de (verwachte toekomstige) onderhoudsuitgaven in een jaar substantieel afwijken van (hoger zijn dan) de gemiddelde, jaarlijkse omvang van de onderhoudsuitgaven (door partijen aangeduid als: het piekvereiste)?
II. Als vraag I bevestigend wordt beantwoord: dient het piekvereiste beoordeeld te worden op ondernemingsniveau of op bedrijfsmiddelniveau?
III. Moet voor de berekening van de voorziening groot–onderhoud binnen goedkoopmansgebruik worden uitgegaan van het criterium voor groot–onderhoud, volgend uit het arrest van de Hoge Raad van 20 augustus 1980 [1] (hierna: het arrest
BNB 1981/1), zijnde “
niet jaarlijks tot uitgaven leidend onderhoud, mits relatief van enige betekenis”?
3.2.
De inspecteur concludeert tot bevestigende beantwoording van de vragen I en III en tot beoordeling van het piekvereiste op ondernemingsniveau (vraag II). Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en ontkennende beantwoording van vraag III.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.0.
Ter zitting hebben partijen in onderling overleg geschilvraag III toegevoegd aan het tussen hen tot dan toe in hoger beroep bestaande geschil. Ter zitting is door de inspecteur toegezegd dat een positieve beantwoording van geschilvraag III voor maximaal € 1 fiscale gevolgen heeft voor belanghebbende.
4.0.1.
Het hof begrijpt dit als volgt:
  • Partijen en andere woningcorporaties en verhuurders van woningen hebben belang bij een beantwoording door het hof van geschilvraag III;
  • Met inachtneming van de toezegging van de inspecteur (onderdeel 4.0) heeft belanghebbende daarom ingestemd met uitbreiding van het tussen belanghebbende en de inspecteur bestaande geschil met geschilvraag III;
  • Aan geschilvraag III is een financieel belang gekoppeld van € 1. Dit houdt in dat van de totale in geschil zijnde onderhoudsvoorziening ter grootte van € 54.287.525, een bedrag van € 54.287.524 is gemoeid met de geschilvragen I en II en een bedrag van € 1 is gemoeid met geschilvraag III.
  • Als het hof geschilvraag III bevestigend beantwoordt dan staat vast dat belanghebbende voor een bedrag van € 54.287.524 heeft voldaan aan de definitie van ‘groot-onderhoud’, zoals die naar de mening van de inspecteur volgt uit het arrest BNB 1981/1. In dat geval dient de onderhoudsvoorziening van € 54.287.525 met € 1 te worden verminderd naar € 54.287.524.
Ten aanzien van het geschil
I. Geldt bij het vormen van een onderhoudsvoorziening een piekvereiste?
4.1.
De Hoge Raad heeft in het zogenoemde Baksteenarrest [2] overwogen dat een belastingplichtige bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost kan vormen, als:
i. Die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan (oorsprong–eis);
Die uitgaven ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend (toerekening–eis);
Ter zake van die uitgaven een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen
voordoen (zekerheid–eis).
Niet in geschil is dat ter zake van de in geschil zijnde onderhoudsvoorziening wordt voldaan aan deze eisen (hierna ook: de Baksteencriteria).
4.2.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het vormen van een onderhoudsvoorziening tevens een piekvereiste geldt. Dat piekvereiste houdt volgens de inspecteur in dat het vormen van een onderhoudsvoorziening alleen mogelijk is als de onderhoudsuitgaven in een jaar substantieel afwijken van (hoger zijn dan) de gemiddelde, jaarlijkse omvang van de onderhoudsuitgaven. Volgens de inspecteur volgt dit uit:
Het arrest BNB 1981/1, waarin volgens de inspecteur een definitie is gegeven voor ‘groot onderhoud’;
De omstandigheid dat ook een piekvereiste geldt voor het vormen van de zogenoemde (kosten)egalisatiereserve (hierna: KER) en de Hoge Raad dezelfde fiscale behandeling voorschrijft bij dotaties aan vergelijkbare fenomenen; en
De samenloop van verschillende leerstukken (waaronder die van afschrijven, afwaarderen en de verwerking van onderhoudsuitgaven) binnen goedkoopmansgebruik, waarbij een eenduidige toerekening van uitgaven aan verschillende jaren niet altijd kan worden gegeven (door de inspecteur ook aangeduid als de systematiek binnen goedkoopmansgebruik).
4.3.
Het hof volgt de inspecteur niet in zijn standpunt. In het Baksteenarrest heeft de Hoge Raad recht willen doen aan het beginsel van goedkoopmansgebruik dat ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost mag worden opgenomen in het jaar waarin zij worden opgeroepen en hij heeft daarom de tot dan toe voor het opnemen van een voorziening bestaande eis van het op balansdatum bestaan van een rechtsverhouding laten vervallen. [3] Het Baksteenarrest zelf biedt geen aanknopingspunten voor het stellen van een piekvereiste zoals de inspecteur die voorstaat bij het vormen van een onderhoudsvoorziening. Ook in latere arresten van de Hoge Raad betreffende (onderhouds)voorzieningen ziet het hof geen aanknopingspunten voor het stellen van een piekvereiste.
4.4.
Het door de inspecteur aangehaalde arrest BNB 1981/1 betrof de vorming van een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 13 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en niet de vorming een (onderhouds)voorziening. Een (dergelijke) KER, zoals thans opgenomen in artikel 3.53, lid 1, letter a, Wet IB 2001, kan slechts worden gevormd voor zover het gaat om kosten welke zijn opgeroepen door de bedrijfsuitoefening van een bepaald jaar, doch die eerst in een later jaar tot een piek in de uitgaven leiden. De overwegingen van de Hoge Raad in het arrest BNB 1981/1, waarin volgens de inspecteur een definitie van ‘groot onderhoud’ wordt gegeven, zijn overigens ook nadrukkelijk beperkt tot de egalisatiereserve (onderstreping door het hof):
‘dat
een dergelijke reservewel kan worden gevormd voor bepaalde niet jaarlijks tot uitgaven leidende onderhoudskosten van een bedrijfsmiddel, tenzij die onderhoudskosten in verhouding tot de totale onderhoudskosten van dat bedrijfsmiddel, berekend over de gehele levensduur, gering zijn’.
4.5.
Verder volgt het hof de inspecteur niet in zijn opvatting dat een onderhoudsvoorziening een ‘vergelijkbaar fenomeen’ is als de KER. Een KER is namelijk fiscaalrechtelijk onderdeel van het eigen vermogen van een belastingplichtige, is gebaseerd op een tegemoetkomende, wettelijke bepaling en ziet op een winstbestemmende, gelijkmatige verdeling van kosten en lasten. Een voorziening daarentegen is fiscaalrechtelijk vreemd vermogen, enkel gebaseerd op goedkoopmansgebruik en gericht op het toedelen van (fiscaal aftrekbare en dus winstbepalende) toekomstige uitgaven aan de jaren waarin die uitgaven volgens goedkoopmansgebruik thuishoren (matchingbeginsel).
4.6.
De verwijzing van de inspecteur naar het zogenoemde Lease-arrest [4] biedt naar het oordeel van het hof evenmin aanknopingspunten voor zijn standpunt dat voor het vormen van een onderhoudsvoorziening een piekvereiste geldt. Dat arrest betrof immers een voorziening als uitstelpost (voor een gedeelte van de ontvangen leasetermijnen) en niet, zoals in deze zaak aan de orde is, een voorziening als anticipatiepost (voor toekomstige (onderhouds)uitgaven). Ten slotte ziet het hof in de systematiek van goedkoopmansgebruik ook geen aanleiding om specifiek voor het vormen van onderhoudsvoorzieningen, en in aanvulling op de in 4.1 genoemde eisen, een piekvereiste te stellen. Vraag I beantwoordt het hof daarom ontkennend.
4.7.
De inspecteur heeft gesteld dat bij het verhuren van gebouwen sprake is van een doorlopende en samengestelde prestatie die gedurende de contractperiode wordt verricht. Er is sprake van doorlopende verhuur, tegen een huursom, van een vastgoedobject (grond plus opstal plus installaties) dat in bewoonbare staat moet worden gehouden. De opbrengsten en de toerekenbare kosten van doorlopende samengestelde prestaties worden doorlopend fiscaal verantwoord, aldus de inspecteur. De inspecteur heeft in dit kader gesteld dat belanghebbende de totale toerekenbare kosten per periode moet matchen met de totale opbrengsten welke in een periode in aanmerking worden genomen en heeft daarbij verwezen naar het Lease-arrest. [5] De inspecteur verbindt hieraan de conclusie dat geen voorziening kan worden gevormd voor onderhoudskosten die gematcht kunnen worden met huuropbrengsten.
4.7.1.
Het hof is van oordeel dat de in 4.7 verwoorde stelling van de inspecteur betreffende het matchingsbeginsel, buiten de reikwijdte van de VSO en daarmee buiten het tussen partijen bestaande geschil valt. Ter zitting van de rechtbank is ook uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk door de inspecteur bevestigd dat slechts in geschil is of het voldaan hebben aan het piekvereiste een voorwaarde is voor de vorming van een voorziening (zie 2.4).
II. Beoordeling op ondernemings– of bedrijfsmiddelniveau
4.8.
Aangezien de eerste geschilvraag ontkennend is beantwoord, komt het hof niet toe aan beantwoording van de vraag of het piekvereiste moet worden beoordeeld op ondernemings– of op bedrijfsmiddelniveau.
4.9.
Het hof komt tot het oordeel dat belanghebbende per 31 december 2016 in ieder geval een onderhoudsvoorziening mag vormen ter grootte van € 54.287.524 (zie 4.0.1).
III. Criterium ‘groot–onderhoud’ bij vorming van een onderhoudsvoorziening
4.10.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat een onderhoudsvoorziening alleen kan worden gevormd voor kosten van ‘groot–onderhoud’ en dat het dan moet gaan om ‘
bepaalde niet jaarlijks tot uitgaven leidende onderhoudskosten, mits relatief van enige betekenis’. De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het arrest BNB 1981/1.
4.11.
Het hof volgt het standpunt van de inspecteur niet. Naar het oordeel van het hof gelden voor het vormen van een onderhoudsvoorziening alleen de Baksteencriteria en niet ook een piekvereiste (zie 4.3). De Baksteencriteria bieden geen aanknopingspunten te veronderstellen dat een onderhoudsvoorziening alleen kan worden gevormd voor ‘bepaalde niet jaarlijks tot uitgaven leidende onderhoudskosten, mits relatief van enige betekenis’. Het arrest BNB 1981/1 leidt niet tot een ander oordeel aangezien de overwegingen van de Hoge Raad in dat arrest, waarin volgens de inspecteur een definitie van ‘groot–onderhoud’ wordt gegeven, nadrukkelijk beperkt zijn tot de KER (zie ook 4.4).
4.12.
Het hof komt tot het oordeel dat belanghebbende voor het jaar 2016 ook een bedrag van € 1 mag doteren aan de onderhoudsvoorziening (zie 4.0.1), zodat de totale onderhoudsvoorziening per 31 december 2016 € 54.287.525 bedraagt.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 579, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is.
4.16.
Het hof stelt deze tegemoetkoming onder verwijzing naar het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten [6] x € 907 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 2.721.
4.17.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende de kosten vergoedt die belanghebbende in verband met het hoger beroep heeft moeten maken, in totaal € 2.721.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 augustus 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9913, BNB 1981/1.
2.Hoge Raad 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555, BNB 1998/409.
3.Zie r.o. 3.5. van het Baksteenarrest.
4.Hoge Raad 31 augustus 1998, ECLI:NL:1998:BI6569, BNB 1998/395.
5.Zie noot 4.
6.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.