Belanghebbende ontving in 2009 een herroepelijke schenking van €22.760 van haar vader, waarop toen een eenmalig verhoogde vrijstelling werd toegepast. In 2017 werd deze schenking herroepen en omgezet in een geldlening die vervolgens werd kwijtgescholden, waarna een nieuwe schenking van €100.000 plaatsvond. Belanghebbende vorderde vernietiging of vermindering van de aanslag schenkbelasting 2017, stellende dat de aanslag aan de schenker had moeten worden opgelegd of dat de volledige eigenwoningvrijstelling van €100.000 toegepast moest worden.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de herroeping van de schenking 2009 geen terugwerkende kracht heeft en dat de eenmalig verhoogde vrijstelling uit 2009 blijft gelden. Hierdoor is de eigenwoningvrijstelling in 2017 verminderd tot €27.650. Het hof verwierp het standpunt dat de aanslag aan de schenker moest worden opgelegd, omdat de wet de verkrijger als belastingplichtige aanwijst. Tevens oordeelde het hof dat de herroeping in overwegende mate door fiscale motieven was ingegeven, waardoor het goedkeurend beleid niet van toepassing is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.