Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1165

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
26/452 tot en met 26/457
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:45 AwbArt. 8:63 AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake overlegging stukken belastingzaak 2017

Belanghebbende heeft een verzoek ingediend om bij voorlopige voorziening de inspecteur te gelasten alle relevante stukken in een belastingzaak over het jaar 2017 te overleggen. Het hof overweegt dat de vraag of de inspecteur alle stukken heeft overgelegd in de hoofdzaak aan de orde komt en dat het hof daarover zal beslissen, waarbij een voorlopige voorziening niet het geschikte middel is.

Tijdens de zitting op 16 april 2026 zijn nadere afspraken gemaakt over de voortgang van de hoofdzaken. Belanghebbende heeft geen spoedeisend belang aannemelijk gemaakt en ook niet bewezen dat hij in bewijsnood verkeert. Tevens heeft hij geen getuige opgeroepen of meegebracht, ondanks de mogelijkheid daartoe.

Het hof wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te kennen. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en ongeschiktheid van het middel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 26/452 tot en met 26/457
Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
betreffende de voor het jaar 2017 opgelegde aanslag en navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de aanslag en navorderingsaanslag inkomensafhankelijke zorgverzekeringswet (hierna: Zvw).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2017, Zvw 2017 en navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en Zvw 2017 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank ZeelandWestBrabant (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 gegrond verklaard [1] en het beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017 ongegrond verklaard [2] .
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder de nummers 24/529530 en 26/99100. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de aanslagen IB/PVV en Zvw eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder de nummers 24/568569. De andere partij heeft telkens een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Deze zitting is tevens gebruikt als regiezitting voor de hoofdzaken en daarbij zijn nadere afspraken gemaakt over de voortgang van de hoofdzaken.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten in de zaak van voorlopige voorziening.
1.8.
Verzoeker heeft na het sluiten van het onderzoek nog een stuk ingediend.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Gronden

Voorafgaande overwegingen
2.1.
Belanghebbende heeft na het sluiten van het onderzoek het onder 1.8 vermelde stuk ingediend. Aangezien het onderzoek is gesloten slaat het hof geen acht op dit stuk en rekent het niet tot de gedingstukken in de onderhavige procedure. Voor zover belanghebbende met dit stuk beoogt een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Awb Pro, te doen overweegt het hof als volgt. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan.
2.2.
Belanghebbende heeft verzocht om [persoon] te horen als getuige. Belanghebbende heeft ter zitting geen getuige meegebracht. Evenmin heeft belanghebbende een getuige opgeroepen. Ter zitting heeft belanghebbende bevestigt ook geen poging te hebben ondernomen om [persoon] op te roepen of anderszins te benaderen om als getuige te verschijnen ter zitting.
2.3.
De rechter kan in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot het meebrengen of oproepen van een getuige, bijvoorbeeld door belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op die mogelijkheid. Op 3 april 2026 is aan partijen bericht dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld op de reeds geplande zitting van 16 april 2026. Dit bericht bevat een zodanige mededeling. Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten een getuige mee te nemen of op te roepen. Het hof ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:63, lid 3, Awb vermelde bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen nu het horen van deze getuige het hof niet zinvol voorkomt in het kader van de taak die op het hof rust.
Ten aanzien van het geschil
2.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, lid 1, Awb in verbinding met het bepaalde in artikel 8:108 Awb Pro, kan de voorzieningenrechter van het hof dat bevoegd is (of kan worden) in de hoofdzaak (vereiste van connexiteit) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.5.
Belanghebbende heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend voor alle zaken over het jaar 2017 waarin hoger beroep is ingesteld tegen de betreffende uitspraken van de rechtbank.
2.6.
Belanghebbende heeft in zijn verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om de inspecteur – al dan niet met toepassing van artikel 8:45 Awb Pro – te gelasten alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. In de hoofdzaken heeft belanghebbende reeds het standpunt ingenomen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist. Het hof zal in de hoofdzaken de stelling van belanghebbende – mede in het licht van de betwisting door de inspecteur – moeten beoordelen en bij gegrondverklaring van dat standpunt, beslissen welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden (artikel 8:31 Awb Pro). Een voorlopige voorziening is niet het geschikte middel om een dergelijke beslissing te nemen. Daarbij komt dat belanghebbende op geen enkele wijze het spoedeisende belang aannemelijk heeft gemaakt. De stelling van hem dat hij in bewijsnood is, acht het hof niet aannemelijk gemaakt.
Tussenconclusie
2.7.
De slotsom is dat het verzoek wordt afgewezen.
Ten aanzien van het griffierecht
2.8.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
2.9.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters T.A. Gladpootjes
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2292.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:680.