ECLI:NL:GHSHE:2026:1234

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/596 tot en met 25/599
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.100 Wet IB 2001Art. 3.124 Wet IB 2001Wet langdurige zorgWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over belastbaarheid en vrijstelling premies Wlz van periodieke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Belanghebbende, een vloerenlegger, ontvangt sinds 2011 periodieke uitkeringen uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) op voor de jaren 2018 tot en met 2021, waarbij belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroepen ongegrond verklaarde.

Het geschil betrof de vraag of de uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen zijn als bedoeld in artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001, en of belanghebbende recht heeft op vrijstelling van de premies Wet langdurige zorg (Wlz) voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Het hof oordeelt dat de uitkeringen wel degelijk belastbare periodieke uitkeringen zijn, omdat zij worden gedaan ter zake van arbeidsongeschiktheid die direct verband houdt met ziekte of ongeval, conform de polisvoorwaarden.

Het hof verwierp het betoog van belanghebbende dat de uitkeringen niet onder deze definitie vallen omdat zij verband houden met beroepsongeschiktheid en niet met arbeidsongeschiktheid in algemene zin. Ook de verwijzing naar de vervallen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) was niet relevant. Wel werd het hoger beroep gegrond verklaard voor de jaren 2019, 2020 en 2021 wat betreft de toepassing van de vrijstelling van de premies Wlz, waardoor de aanslagen en belastingrente voor die jaren werden verminderd.

Daarnaast veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door het hof 's-Hertogenbosch op 13 mei 2026 en is openbaar gemaakt via Mijn Rechtspraak.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond voor de jaren 2019-2021 en vermindert de aanslagen en belastingrente met toepassing van de vrijstelling premies Wlz, terwijl de uitkeringen als belastbare periodieke uitkeringen worden aangemerkt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/596 tot en met 25/599
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 februari 2025, nummers BRE 23/10941, 23/10942, 24/6657 en 24/6658 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2018, 2019, 2020 en 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht voor de jaren 2018, 2020 en 2021.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken ten aanzien van de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 beroep ingesteld. Tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 heeft belanghebbende met instemming van de inspecteur direct beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende oefende het beroep van vloerenlegger uit.
2.2.
Belanghebbende is op 17 oktober 2016 geïmmigreerd naar Nederland.
2.3.
Belanghebbende heeft een verzekeringsproduct ‘ZelfstandigVerzekerd’ (hierna: de verzekering) bij [verzekeringsmaatschappij] (hierna: de verzekeraar) afgesloten ten aanzien van zijn beroep als vloerenlegger. Het polisblad vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Conform de in de polisvoorwaarden gepubliceerde tabel is een uitkering verzekerd vanaf ten minste 25% arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval, respectievelijk 25% als gevolg van een ziekte.
(…)
Arbeidsongeschiktheidscriterium: Beroepsarbeidsongeschiktheid”
In de ’Algemene Voorwaarden 2008 ZelfstandigVerzekerd’ (hierna: de polisvoorwaarden) is onder meer het volgende opgenomen:

1.5. Arbeidsongeschiktheid
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd.
(…)
Te verzekeren risico
Artikel 2 Strekking Pro van de verzekering
Deze verzekering heeft tot doel periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid uitsluitend in de hoedanigheid van zelfstandig ondernemer, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot. Eén en ander met inachtneming van hetgeen daarover in deze voorwaarden is bepaald.
(…)
Artikel 16 Uitkeringen Pro
16.1
Mits verzekerde arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 1.5 voorziet deze verzekering in een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.
(…)”
2.4.
Op 23 juli 2013 heeft een registerarbeidsdeskundige namens de verzekeraar een arbeidskundig advies opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat belanghebbende in het geheel niet geschikt is zijn eigen beroepswerkzaamheden uit te voeren.
2.5.
Belanghebbende ontvangt vanaf 2011 een uitkering van de verzekeraar. De ontvangen bedragen (hierna: de uitkeringen) worden jaarlijks gerenseigneerd aan de Belastingdienst en zijn voor de onderhavige jaren als volgt:
Uitkering
Ingehouden loonbelasting
2018
€ 32.098
€ 10.509
2019
€ 32.565
€ 10.234
2020
€ 33.376
€ 10.429
2021
€ 33.959
€ 10.500
2.6.
De aanslag IB/PVV 2018 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.201. Tevens is bij beschikking € 562 belastingrente in rekening gebracht.
De aanslag IB/PVV 2019 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.769. Voor dit jaar is geen belastingrente in rekening gebracht.
De aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.695. Tevens is bij beschikking € 1.572 belastingrente in rekening gebracht.
De aanslag IB/PVV 2021 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.249. Tevens is bij beschikking € 86 belastingrente vergoed.
2.7.
Op 19 december 2024 heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor vrijstelling van de premies Wet langdurige zorg (hierna: Wlz).
2.8.
De rechtbank heeft de stelling van belanghebbende met betrekking tot toepassing van de vrijstelling van de premies Wlz tardief verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de uitkeringen zijn aan te merken als belastbare periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019, 2020 en 2021 en dienovereenkomstige aanpassing van de beschikkingen belastingrente. De inspecteur concludeert tot een gegrond hoger beroep vanwege toepassing van de vrijstelling van de premies Wlz en, voor het overige, tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 3.100 Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:
“1. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn:
(…)
b. (…) en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, (…);”
4.2.
Artikel 3.124 Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:
“1. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn de op de belastingplichtige drukkende:
(…)
c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen (…) ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige (…)”
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van periodieke uitkeringen en dat deze zijn toegekomen aan belanghebbende. Wel is in geschil of de uitkeringen zijn gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’.
4.4.
Belanghebbende betoogt dat de uitkeringen zijn gedaan vanwege beroepsongeschiktheid, niet vanwege arbeidsongeschiktheid en, zo begrijpt het hof belanghebbende, om die reden niet zijn gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Belanghebbende verwijst hiervoor naar de per 1 januari 2005 vervallen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ). Bij de WAZ was het volgens hem van belang of de verzekerde in staat was om met arbeid een inkomen te verdienen, ongeacht met welke werkzaamheden. De verzekering die belanghebbende heeft afgesloten is een product van particuliere verzekeraars dat is ontstaan als gevolg van het vervallen van de WAZ.
Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat sprake is van uitkeringen die verband houden met gemist arbeidsvermogen, aangezien belanghebbende het beroep van vloerenlegger niet meer kan uitoefenen. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van dit standpunt gewezen op een volgens hem vergelijkbare zaak waarin rechtbank Zeeland-West-Brabant en dit hof op respectievelijk 1 september 2023 [1] en 17 juli 2024 [2] uitspraak hebben gedaan. Belanghebbende betoogt dat de uitspraak van dit hof van 18 december 2024 [3] – ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2017 van belanghebbende en met betrekking tot hetzelfde geschilpunt als in de onderhavige zaak – onjuist is.
4.5.
Het hof overweegt als volgt. De door belanghebbende afgesloten verzekering heeft tot doel een periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn (beroeps)arbeidsongeschiktheid. [4] Van arbeidsongeschiktheid is volgens de polisvoorwaarden uitsluitend sprake indien er
in directe relatie tot ziekte of ongeval(
onderstreping hof)objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd. [5] Er is daarom een direct oorzakelijk verband tussen ziekte of ongeval van een verzekerde en de door de verzekeraar aan hem gedane uitkeringen. De uitkeringen vallen daarmee binnen de tekst van periodieke uitkeringen gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Daarbij maakt het naar het oordeel van het hof niet uit dat de uitkeringen worden gedaan omdat belanghebbende niet meer geschikt is om arbeid als vloerenlegger te kunnen verrichten en dat hij wellicht wel andere arbeid kan verrichten. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden dat onderhavige wetsbepalingen slechts zien op situaties waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid in die zin dat een belastingplichtige in het geheel geen arbeid meer kan verrichten of slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maar dan wel voor alle arbeid. De verwijzing van belanghebbende naar de WAZ maakt het voorgaande niet anders. Tot 1 januari 2005 bevatte de Wet IB 2001 afzonderlijke bepalingen die bewerkstelligden dat premies voor de WAZ als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking konden worden genomen en uitkeringen op grond van de WAZ als belastbare periodieke uitkeringen werden aangemerkt. Deze bepalingen bestonden naast de destijds ook al bestaande bepalingen inzake periodieke uitkeringen ter zake van ‘invaliditeit, ziekte of ongeval’. Het hof acht de per 1 januari 2005 vervallen WAZ daarom niet relevant voor de beslechting van het geschil.
4.6.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de uitkeringen zijn aan te merken als belastbare periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001. De door belanghebbende aangedragen uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en dit hof leiden niet tot een ander oordeel. De feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan die uitspraken wijken op fundamentele punten af van de deze zaak. Anders dan in deze zaak ging het in die zaak om een schadevergoeding die door de verzekeraar van een derde (degene die schade heeft veroorzaakt) aan de desbetreffende belastingplichtige/ondernemer werd toegekend voor het blijvend verlies aan arbeidskracht. Deze schadevergoeding was onbelast omdat deze buiten de inkomenssfeer lag. De schadevergoeding was niet toe te rekenen aan een bron van inkomen. In onderhavige zaak gaat het om periodieke uitkeringen die belanghebbende van zijn eigen verzekeraar ontvangt als gevolg van ziekte c.q. ongeval en zijn deze uitkeringen belast in box 1 op grond van artikel 3.100, lid 1, letter b, Wet IB 2001.
Vrijstelling premies Wlz
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de vrijstelling van de premies Wlz voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de premies volksverzekeringen 2019, 2020 en 2021 verminderd dienen te worden met de volgende bedragen:
2019
9,65% van € 30.769
€ 2.969
2020
9,65% van € 31.695
€ 3.059
2021
9,65% van € 32.249
€ 3.112
Nu deze opvatting niet van een onjuist standpunt getuigt, volgt het hof partijen in deze. Het hof zal het hoger beroep van belanghebbende in zoverre voor de jaren 2019, 2020 en 2021 gegrond verklaren.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.11.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep bij de rechtbank op 2 (punten) [6] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868. Het hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep bij het hof op 1 (punt) [7] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 934.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018, de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht;
- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ten aanzien van de aanslagen IB/PVV 2019, 2020 en 2021 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2019;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 met € 2.969;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 met € 3.059;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2021 met € 3.112;
- vermindert de beschikking belastingrente 2020 evenredig;
- verhoogt de beschikking belastingrente 2021 evenredig;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van het beroep en het hoger beroep aan de zijde van de belanghebbende, tot een bedrag van in totaal € 2.802;
- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 143.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, J.M. van der Vegt en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

4.Artikel 2 van Pro de polisvoorwaarden.
5.Artikel 1.5 van de polisvoorwaarden.
6.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
7.1 punt voor het hogerberoepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.