Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1238

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/303 en 25/304
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 6.18 Wet IB 2001Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aftrek specifieke zorgkosten voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit 2018

Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van specifieke zorgkosten voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit in zijn aangifte inkomstenbelasting 2018. De inspecteur wees dit af vanwege gebrek aan bewijs. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar het hof bevestigt de afwijzing.

Het geschil concentreert zich op de vraag of belanghebbende de aftrek voor de zogenoemde 'leefkilometers' aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel belanghebbende een Excel-overzicht overlegd heeft, voldoet dit niet aan de wettelijke eisen voor bewijs. Het hof benadrukt dat de aftrek alleen mogelijk is indien de meerkosten van vervoer objectief en met bewijs worden aangetoond.

Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie en een compromis over 2013, maar stelt dat dit niet zonder meer toepasbaar is op 2018. Belanghebbende heeft nagelaten actuele en volledige bewijsstukken te overleggen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aftrek voor specifieke zorgkosten voor vervoer in 2018.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/303 en 25/304
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 januari 2025, nummers BRE 23/11153 en BRE 23/11154, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd en stond in 2018 ingeschreven in de gemeente Ede. Zijn partner heeft verschillende medische aandoeningen.
2.2.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.505. Hij heeft in zijn aangifte een aftrek voor specifieke zorgkosten opgevoerd van in totaal € 5.779, waarvan € 5.232 verband houdt met uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit.
2.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van verschillende uitworpredenen vragen gesteld over de aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende, onder andere over de aftrek voor specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft op deze vragen gereageerd.
2.4.
Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 heeft de inspecteur een aftrek voor specifieke zorgkosten geaccepteerd tot een bedrag van € 300 in verband met extra uitgaven voor kleding en beddengoed. De inspecteur heeft geen aftrek voor andere zorgkosten toegestaan.
2.5.
Belanghebbende heeft eerder geprocedeerd over aftrek voor specifieke zorgkosten wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit over het jaar 2013. In het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren van 5 september 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:7883) is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen:
“1. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de werkelijke autokosten als volgt benaderd kunnen worden: 25.263 km. (26.763 kilometer -/- 1.500 kilometer (reeds in aanmerking genomen als zorgkosten)) x E 0,45 -/- E 3.506 (reiskostenvergoeding werkgever) = E.7.862.
2. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de door het Nibud gepubliceerde tabel van de gemiddelde bestedingen voor vervoer ziet op een huishouden dat 10.000 kilometer per jaar rijdt. Partijen spreken uit praktische overwegingen of deze tabel als volgt om te rekenen naar een met de situatie van belanghebbende vergelijkbaar huishouden dat 25.000 kilometer per jaar rijdt: E 343 x 12 maanden = E 4.116 per jaar (o.b.v. 10.000 kilometer) + E 2.850 (15.000 kilometer x E 0,19) = E 6.966 per jaar.
3. Partijen zijn op basis van bovenstaande berekening overeengekomen dat de extra aftrek voor specifieke zorgkosten wegens uitgaven voor vervoer voor het jaar 2013 E 896 (E 7.862
-/- E 6.966) bedraagt.
4. Belanghebbende heeft verzocht om bovenstaande berekening als uitgangspunt te mogen nemen voor de aftrek in volgende jaren. Ter zitting heeft de Inspecteur aangegeven daarover geen toezegging te kunnen doen, aangezien bijvoorbeeld onduidelijk is hoe de gemiddelde bestedingen voor vervoer zoals die door het Nibud is weergegeven, is berekend.
(…)
7. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.”
2.6.
De aanslag IB/PVV 2018 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.765. Tevens is bij beschikking € 12 belastingrente in rekening gebracht.
2.7.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.8.
De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.357 en de rentebeschikking evenredig verminderd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep is beperkt tot het antwoord op de volgende vraag: heeft belanghebbende voor het belastingjaar 2018 recht op aftrek voor specifieke zorgkosten wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit? Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de beslissing over de aftrek van specifieke zorgkosten, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en - naar het Hof begrijpt - tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.456 en een dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

4.1.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit zoals opgevoerd in zijn aangifte IB/PVV 2018. Hoewel hij geen bewijsstukken heeft overgelegd die zijn berekening onderbouwen, heeft hij de desbetreffende kosten voldoende aangetoond met behulp van een Excel-overzicht, aldus belanghebbende. Belanghebbende stelt dat zijn berekening in het Excel-overzicht juist is omdat hij heeft aangesloten bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het jaar 2013 (zie 2.5).
4.2.
De inspecteur betwist dat belanghebbende recht heeft op aftrek van specifieke ziektekosten wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft geen bewijsstukken overgelegd waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat een dergelijk recht op aftrek bestaat. Op basis van een eigen berekening van de inspecteur, die hij op aannames en schattingen heeft gebaseerd, heeft belanghebbende voor het belastingjaar 2018 geen recht op aftrek.
4.3.
Om kosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek te kunnen brengen, moet worden voldaan aan wettelijke vereisten. Zo vereist artikel 6.1, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dat uitgaven voor specifieke zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt. Verder kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 Wet IB 2001, niet zijn uitgesloten in artikel 6.18 Wet IB 2001, en ook verder aan alle gestelde wettelijke voorwaarden voldoen.
4.4.
Op grond van de normale regels omtrent stel- en bewijsplicht moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat hij de gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan en dat deze uitgaven voldoen aan de in de wet gestelde voorwaarden. Aan deze bewijslast kan worden voldaan indien bewijsstukken worden overgelegd waaruit afgeleid kan worden welke uitgaven zijn gedaan, wat de aard van deze uitgaven is en of deze uitgaven op de belastingplichtige hebben gedrukt.
4.5.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met het door hem verstrekte Excel-overzicht, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het Hof legt dat hierna uit.
4.6.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 komen uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit voor aftrek in aanmerking. Tot de uitgaven voor vervoer behoren onder meer de uitgaven die zijn gedaan in rechtstreeks verband met het verkrijgen van geneeskundige hulp, zoals (auto)kosten van vervoer gedaan door een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling of het bezoeken van een arts (vgl. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4296). Deze uitgaven ter zake van de zogenoemde ‘medische kilometers’ zijn volledig aftrekbaar.
4.7.
Dit ligt echter anders voor de (auto)kosten die niet rechtstreeks zijn verbonden met het verkrijgen van geneeskundige hulp, maar betrekking hebben op het overige gebruik van een auto door een zieke of invalide in verband met ziekte of invaliditeit. Die uitgaven ter zake van de zogenoemde ‘leefkilometers’ kunnen slechts in aftrek worden gebracht als deze meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren (de zogenoemde ‘maatman’). Daarbij moet worden uitgegaan van de objectief te bepalen meerkosten van het autogebruik door de belanghebbende (vgl. HR 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626).
4.8.
Belanghebbende heeft in zijn Excel-overzicht de kosten berekend die zien op de hiervoor genoemde additionele ‘leefkilometers’. Op basis van zijn berekening zijn de vervoerskosten die als specifieke zorgkosten voor aftrek in aanmerking komen in totaal € 5.232.
4.9.
In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof juist weergegeven welke stappen belanghebbende in zijn berekening moet nemen als het gaat om het bepalen van de aftrekbare kosten voor ‘leefkilometers’:
“Stap 1: er dient middels een berekening en bewijsstukken aannemelijk gemaakt te worden wat de werkelijke totale vervoerskosten zijn.
Stap 2: van deze werkelijke totale vervoerskosten dienen de ontvangen vergoedingen afgetrokken te worden (zoals een vergoeding van de gemeente en een reiskostenvergoeding van de werkgever). Als er vanuit de gemeente sprake is van een eigen bijdrage moet ook dit bedrag in mindering worden gebracht.
Stap 3: van de overgebleven vervoerskosten dienen de kosten afgetrokken te worden die uw cliënt reeds in aftrek heeft gebracht onder de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit en de reiskosten voor ziekenbezoek. Zonder deze aftrek zou uw cliënt namelijk een dubbele aftrek kunnen genieten.
Stap 4: de dan resterende vervoerskosten dienen vergeleken te worden met de
zogeheten maatman. Deze maatman is een huishouden dat vergelijkbaar is met
die van uw cliënt qua gezinsomstandigheden, inkomen en vermogen. Als de
resterende vervoerskosten de maatman vervoerskosten overstijgen, dan is dit
meerdere het door uw cliënt in de aangifte aan te geven bedrag aan
leefkilometers.”
4.10.
Uit het Excel-overzicht van belanghebbende blijkt niet dat belanghebbende bij zijn berekening voornoemde stappen (volledig) heeft gevolgd. Zo heeft belanghebbende bij Stap 1 wel een totale kilometerstand weergegeven van 37.385 kilometer, maar nagelaten de werkelijke totale vervoerskosten inzichtelijk te maken en deze met bewijsstukken te onderbouwen. Vervolgens heeft belanghebbende bij Stap 2 een reiskostenvergoeding in aanmerking genomen, maar nagelaten een bewijsstuk hieromtrent te overleggen. Belanghebbende heeft, naar het hof begrijpt, bij Stap 4 een vergelijking willen maken met de maatman. Ook deze berekening is voor het hof niet inzichtelijk.
4.11.
Voor zover belanghebbende ter zake van zijn berekening refereert aan afspraken die tijdens de procedure over het jaar 2013 met de inspecteur zouden zijn gemaakt, overweegt het hof als volgt. Uit het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (zie 2.5) blijkt dat belanghebbende en de inspecteur ter zitting een compromis hebben bereikt over aftrek voor specifieke zorgkosten wegens uitgaven voor vervoer in 2013. In dit kader zijn, onder meer, de werkelijke autokosten van belanghebbende bij benadering vastgesteld door te rekenen met een bedrag van € 0,45 per gereden kilometer. Ook zijn de vervoerskosten van de ‘maatman’ uit praktische overwegingen omgerekend vanuit een Nibud-tabel, waarbij een bedrag van € 0,19 per kilometer in aanmerking is genomen voor de kilometers die belanghebbende heeft gereden boven de 10.000 kilometer. Gelet op het feit dat het hier een compromis betrof ter zake van het jaar 2013, kan belanghebbende niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij deze berekening als uitgangspunt mocht nemen voor het jaar 2018, en derhalve met voornoemde bedragen van € 0,45 en € 0,19 mocht rekenen. Dit geldt te meer nu uit r.o. 4 van voornoemde uitspraak blijkt dat belanghebbende heeft verzocht de berekening voor het jaar 2013 als uitgangspunt te mogen nemen voor aftrek in volgende jaren, maar de inspecteur ter zitting heeft aangegeven daarover geen toezegging te kunnen doen. Het compromis met betrekking tot belastingjaar 2013 laat dus onverlet dat belanghebbende in zijn berekening voor 2018 uit dient te gaan van de werkelijke, actuele, gegevens, hetgeen belanghebbende heeft nagelaten.
4.12.
Indien en voor zover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel door te stellen dat hij geen bewijsstukken hoeft te overleggen met betrekking tot de vervoerskosten in onderhavig jaar omdat hier in eerdere jaren niet om was verzocht, heeft belanghebbende dit onvoldoende onderbouwd.
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door P.C. van den Brink, voorzitter, A. van Dongen en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van D.W. Renes, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
D.W. Renes P.C. van den Brink
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.