Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1281

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/945
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Wet IB 2001Art. 3.101 lid 1 letter a Wet IB 2001Art. 3.146 lid 1 Wet IB 2001Art. 26 lid 2 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging belastingheffing ziektewetuitkering 2020 ondanks uitbetalingsfout UWV

Belanghebbende ontving ziektewetuitkeringen van het UWV over de periode 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021. De eerste betaling van € 22.339,88 werd op 13 januari 2020 ontvangen en betrof vrijwel geheel de ziekteperiode in 2019. Belanghebbende gaf in zijn aangifte een belastbaar inkomen aan dat de volledige uitkering omvatte.

De inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2020 op, welke belanghebbende betwistte. Hij stelde dat de eerste betaling ten onrechte in 2020 werd belast en dat dit onrechtvaardig was vanwege een fout van het UWV, waarbij hij een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel en verwees naar jurisprudentie over matiging bij terugvordering van zorgtoeslag.

Het hof oordeelde dat de uitkering pas in 2020 vorderbaar en inbaar was, omdat de betaling op dat moment werd toegekend en uitbetaald. De inspecteur handelde correct door het bedrag in 2020 te belasten. Er was geen sprake van ongelijke behandeling, omdat geen andere gevallen bekend waren waarin anders werd gehandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.

Verder wees het hof het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de rechtbank reeds een vergoeding had toegekend en in hoger beroep geen termijnoverschrijding was vastgesteld. Ook werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2020 wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/945
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
uit [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2024, nummer BRE 23/1302, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en [inspecteur 2] verschenen. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] laten weten dat zij niet zullen verschijnen.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van de inspecteur geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op grond van de Ziektewet uitkeringen ontvangen van het UWV gedurende de periode van 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021.
2.2.
Op 13 januari 2020 heeft hij de eerste betaling op grond van de Ziektewet ontvangen voor een bedrag van € 22.339,88 (hierna: de eerste betaling). Volgens de betalingsspecificatie zag deze betaling op de (ziekte)periode van 18 januari 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf 2020 van het UWV heeft belanghebbende in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ziektewetuitkeringen ontvangen.
2.3.
In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een belastbaar
inkomen uit werk en woning aangegeven van € 42.867, bestaande uit de ziektewetuitkeringen
van € 44.691 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 1.824.
2.4.
De aanslag is vastgesteld met dagtekening 24 december 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld conform de ingediende aangifte.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bedrag van de eerste betaling terecht in de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 2020 is betrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een verzamelinkomen van € 20.527, tot vermindering van de beschikking belastingrente conform de verlaging van de aanslag, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen. [1] Periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling kwalificeren als aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en behoren tot het belastbare inkomen. [2] Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. [3]
4.2.
Belanghebbende heeft de ziektewetuitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet. De ziektewetuitkeringen zijn daarom aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de eerste betaling bijna geheel ziet op zijn ziekte gedurende het jaar 2019 en dat deze betaling daarom in 2019 zou moeten worden belast. Belanghebbende voert verder aan dat de eerste betaling ten onrechte niet al in 2019 is gedaan door een fout van het UWV, dat belanghebbende door die fout (gegeven het progressieve belastingtarief) extra inkomstenbelasting verschuldigd is, dat belanghebbende niet de dupe mag worden van de fout van het UWV en dat daarom de eerste betaling niet in de belastingheffing over het jaar 2020 mag worden betrokken. Hij doet daarbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar jurisprudentie over de matiging [4] van de terugvordering van zorgtoeslag als de terugvordering een gevolg is van een fout van het UWV bij de uitbetaling van een uitkering.
4.4.
De inspecteur stelt dat de eerste betaling in 2020 is genoten, omdat deze op 13 januari 2020 is ontvangen door belanghebbende en uit niets blijkt dat deze eerder is verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. De inspecteur betwist dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
4.5.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met het overleggen van de UWV jaaropgaaf 2020 aannemelijk gemaakt dat het daarin opgenomen bedrag aan ziektewetuitkering, inclusief de eerste betaling, door belanghebbende in 2020 is genoten. Belanghebbende heeft ook erkend dat hij de eerste betaling niet in 2019 maar in 2020 op zijn bankrekening heeft ontvangen. Dat de eerste betaling bijna geheel ziet op een ziekteperiode die in 2019 ligt, betekent op zichzelf bezien niet dat deze in 2019 vorderbaar en inbaar was, ook niet gedeeltelijk. De ziektewetuitkering is pas vorderbaar nadat deze is toegekend en in de regel pas inbaar op het moment bepaald bij de toekenning. Gesteld noch gebleken is dat het recht op de eerste betaling (al dan niet deels) al in 2019 door het UWV is toegekend en betaalbaar gesteld. Het gehele bedrag van de eerste betaling is dan ook in 2020 genoten.
4.6.
Wat er ook zij van de stelling van belanghebbende dat de eerste betaling door een fout van het UWV niet in 2019 maar pas in 2020 is gedaan, deze kan belanghebbende niet helpen. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de eerste betaling door een fout van het UWV pas in 2020 aan belanghebbende is toegekend en uitbetaald, dan nog is deze in het kalenderjaar 2020 genoten en dient deze in de belastingheffing voor 2020 te worden betrokken. De inspecteur heeft dat dan ook terecht gedaan. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de inspecteur daarmee niet het gelijkheidsbeginsel geschonden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is van belang of een juiste wetstoepassing, in andere, aan dat van belanghebbende zowel feitelijk als rechtens gelijke, gevallen achterwege is gebleven en bovendien de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling berust op een gevoerd begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of dat sprake is van een situatie waar in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. [5] Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur in andere gevallen anders heeft gehandeld dan bij belanghebbende en alleen al daarom kan van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake zijn. Het feit dat de inkomstenbelasting geen regeling kent zoals de matigingsregeling in de Awir is geen grond voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.9.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [6]
4.10.
Het hof stelt vast dat de rechtbank reeds een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg aan belanghebbende heeft toegekend van € 500. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen gronden aangevoerd. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toe te kennen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De oudste raadsheer,
R. Camps C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 2.3 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
2.Artikel 3.101, lid 1, letter a, Wet IB 2001.
3.Artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001.
4.Artikel 26, lid 2, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) bepaalt dat de Dienst Toeslagen kan afzien van een volledige terugvordering als deze onevenredig nadelige gevolgen zou hebben.
5.Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6481.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.