Belanghebbende ontving ziektewetuitkeringen van het UWV over de periode 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021. De eerste betaling van € 22.339,88 werd op 13 januari 2020 ontvangen en betrof vrijwel geheel de ziekteperiode in 2019. Belanghebbende gaf in zijn aangifte een belastbaar inkomen aan dat de volledige uitkering omvatte.
De inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2020 op, welke belanghebbende betwistte. Hij stelde dat de eerste betaling ten onrechte in 2020 werd belast en dat dit onrechtvaardig was vanwege een fout van het UWV, waarbij hij een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel en verwees naar jurisprudentie over matiging bij terugvordering van zorgtoeslag.
Het hof oordeelde dat de uitkering pas in 2020 vorderbaar en inbaar was, omdat de betaling op dat moment werd toegekend en uitbetaald. De inspecteur handelde correct door het bedrag in 2020 te belasten. Er was geen sprake van ongelijke behandeling, omdat geen andere gevallen bekend waren waarin anders werd gehandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
Verder wees het hof het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de rechtbank reeds een vergoeding had toegekend en in hoger beroep geen termijnoverschrijding was vastgesteld. Ook werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.