ECLI:NL:GHSHE:2026:1447

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/867
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 BWArt. 16 Wet WOZArt. 17 lid 2 Wet WOZArt. 17 lid 3 Wet WOZArt. 18 lid 4 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde zonne-energieinstallatie als onroerende zaak

Belanghebbende B.V. is eigenaar van een zonne-energieinstallatie geplaatst op het dak van een distributiecentrum, eigendom van een derde. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van deze installatie vast op €847.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof.

Het geschil betrof de vraag of de zonne-energieinstallatie als een onroerende zaak moet worden aangemerkt en of de vastgestelde waarde te hoog is. Het hof oordeelde dat de installatie een werk is in de zin van artikel 3:3 BW Pro, omdat deze naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, ondanks dat de installatie los op het dak ligt en met ballast is verzwaard. De mogelijkheid tot eenvoudige demontage en de huurovereenkomst die verplaatsing mogelijk maakt, doen hieraan niet af.

Belanghebbende stelde dat de installatie samen met het dak een samenstel vormt, maar het hof verwierp dit omdat het dak en de installatie niet dezelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Ook het opstalrecht op het dak leidt niet tot een samenstel als bedoeld in de Wet WOZ. Het hof concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de zonne-energieinstallatie wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/867
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 april 2024, nummer BRE 23/1853, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: het object) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende,
en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
Op deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/868.
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van het object. Het object betreft een PV-installatie (zonne-energieinstallatie), bestaande uit zonnepanelen, inclusief draagconstructie en bevestigingsmaterialen, omvormers, bekabeling/leidingen en meet- en regelapparatuur. De installatie is geplaatst op het dak van een distributiecentrum, gevestigd aan de [adres] te [plaats] . De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden. De installatie is eigendom van en wordt geëxploiteerd door belanghebbende. Het distributiecentrum is eigendom van een derde, met wie ten behoeve van het gebruik maken van het dak een huurovereenkomst is gesloten en tevens een recht van opstal is gevestigd.
2.2.
De waarde van het object is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 847.000.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de waarde van het object te hoog is vastgesteld.
3.2.
Niet in geschil is dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de omvormers, bekabeling/leidingen en meet- en regelapparatuur.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststellen van de waarde op nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Volgens artikel 16 Wet Pro WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een zelfstandig gedeelte daarvan;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel
aof onderdeel
bbedoelde eigendommen, of in onderdeel
cbedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.
4.2.
De waarde van het object is de waarde in het economisch verkeer. [1] Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor het object.
4.3.
Artikel 17, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, wordt bepaald op vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid.
4.4.
Op grond van artikel 18, lid 4, Wet WOZ in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel e, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van de werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken (de zogenoemde werktuigenvrijstelling).
4.5.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.
4.6.
De heffingsambtenaar heeft de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak, een gebouwd eigendom, als bedoeld in de zin van artikel 16 Wet Pro WOZ.
4.7.
Volgens de Hoge Raad [2] dient bij beantwoording van de vraag of een PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken als maatstaf worden gehanteerd of de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij komt geen betekenis toe aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond. Alleen indien het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf is aan te merken als een gebouwd eigendom, moet de vraag worden beantwoord of een PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat een opstalrecht niet kan worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet Pro WOZ.
4.8.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan waarvan is uitgegaan in de zaak waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld, de PV-installatie geen werk is in de zin van artikel 3:3 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) en dus geen onroerende zaak is. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat uit de omstandigheid dat de zonnepanelen los op het dak liggen en enkel door ballast (stoeptegels) op hun plaats worden gehouden blijkt dat het de bedoeling is dat de zonnepanelen verplaatsbaar blijven
.Uit de huurovereenkomst blijkt volgens belanghebbende ook dat verplaatsing noodzakelijk is als de eigenaar van het dak dat verlangt.
4.9.
Artikel 3:3 BW Pro bepaalt dat onroerend zijn de grond, alsmede de met de grond verenigde gebouwen en werken. Een gebouw of werk kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 BW Pro doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dan technisch de mogelijkheid bestaat om het gebouw of gebouw of werk te verplaatsen. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Onder de bouwer moet mede worden verstaat degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht. [3]
4.10.
Hieruit volgt dat de maatstaf of sprake is van een werk als bedoeld in artikel 3.3 BW verschilt niet wezenlijk van de maatstaf of sprake is van een gebouwd eigendom (zie 4.7).
4.11.
Het hof is van oordeel dat de PV-installatie een werk in de zin van artikel 3:3 BW Pro is. De PV-installatie is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het een technisch complexe samenstelling van zonnepanelen, onderstel en kabels betreft en dat de installatie is verzwaard met ballast. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de PV-installatie door een eenvoudige demontage kan worden verplaatst. Evenmin doet daaraan af dat op grond van de huurovereenkomst in bijzondere omstandigheden de installatie zou moeten worden verplaatst, omdat dit niet een fysiek aspect betreffende de aard en inrichting is dat naar buiten kenbaar is.
4.12.
Het vorenstaande betekent dat de PV-installatie voor de toepassing van de Wet WOZ als een onroerende zaak moet worden aangemerkt.
4.13.
Voor dat geval heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de PV-installatie niet moet worden aangemerkt als een afzonderlijk WOZ-object, maar een samenstel vormt met het dak van het distributiecentrum, waarop de PV-installatie is aangebracht. Belanghebbende stelt dat de (dak) huurovereenkomst een exclusief gebruiksrecht geeft op het dak, en dat dit exclusieve gebruiksrecht een onroerende zaak is (in de zin van art 16 Wet Pro WOZ) en een apart WOZ-object. Het (gebruiksrecht op het) dak is volgens belanghebbende dan zelf ook een gebouwd eigendom.
Het WOZ-object bestaat dan volgens belanghebbende uit het gebruiksrecht op het dak en de PV-installatie, dus twee gebouwde eigendommen en dan moet volgens belanghebbende de vraag worden beantwoord of de PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft.
4.14.
Het hof is van oordeel dat ook dit standpunt van belanghebbende niet kan worden gevolgd, reeds omdat een gebruiksrecht middels een huurovereenkomst niet betekent dat belanghebbende het dak in eigendom heeft of daarop een beperkt recht heeft. Van een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, Wet WOZ kan slechts sprake zijn als beide eigendommen eenzelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat daarnaast een recht van opstal is gevestigd doet hieraan niet af. Een opstalrecht kan immers niet worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet Pro WOZ (zie 4.7).
4.15.
Voor het geval de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object is, is niet in geschil dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Tussenconclusie
4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.E. Smorenburg en
J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.
2.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:56.
3.Hoge Raad 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin).