ECLI:NL:GHSHE:2026:1528

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
23/1413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:17 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig overleggen volmacht in WOZ-zaak

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €414.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.

Het hof verzocht de gemachtigde om een recente volmacht te overleggen die niet ouder was dan zes maanden voorafgaand aan het hoger beroep. Deze volmacht werd niet binnen de gestelde termijn overgelegd. Op de uiterste dag van de termijn verzocht de gemachtigde om uitstel, maar dit verzoek werd niet toegekend.

Het hof oordeelde dat de gemachtigde niet zonder meer mocht vertrouwen op het verlenen van uitstel en dat het verzuim niet verschoonbaar was. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een recente volmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1413
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in ’ [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummer BRE 21/5400 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te ’ [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gesteld gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning (bouwjaar 1978) met een inhoud van 828 m³ en een dakkapel, garage, berging en loods, gelegen op een perceel van 3.495 m².
2.2.
Een deel van het perceel kan niet onbelemmerd worden gebruikt vanwege een naastgelegen watergang. Verder is de woning gelegen nabij een tunnelweg, tolhuisjes en een hoogspanningsmast en is de [adres] een sluiproute voor forensen.
2.3.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 414.000.
2.4.
Het hoger beroep is op 3 oktober 2023 ingediend door [gemachtigde] namens [kantoornaam] . Als bijlage bij het hoger beroepschrift is een schriftelijke machtiging overgelegd met dagtekening 5 november 2021, waarin belanghebbende een volmacht verleent aan de ‘mr. [gemachtigde] , [kantoornaam] ’, om belanghebbende ‘zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking.’
2.5.
Het hof heeft in een bericht van 17 oktober 2025 aan [gemachtigde] verzocht om uiterlijk 14 november 2025 een bewijsstuk over te leggen waaruit volgt dat [gemachtigde] is gemachtigd om het hogerberoepschrift in te dienen (een recente volmacht die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep). Het hof heeft in dat bericht erop gewezen dat, indien van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep nietontvankelijk kan worden verklaard en dat het hof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling zal nemen.
2.6.
Met dagtekening 14 november 2024 (het hof begrijpt: 14 november 2025) heeft [gemachtigde] via een bericht in Mijn Rechtspraak verzocht om uitstel voor het overleggen van de gevraagde machtiging. Het bericht is door het hof ontvangen op vrijdag 14 november 2025 om 19.38 uur. Op 16 november 2025 heeft het hof een machtiging ontvangen waarin belanghebbende een volmacht verleent aan ‘mr. [gemachtigde] , [kantoornaam] ’, om belanghebbende ‘zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking.’ De volmacht vermeldt als datum 15 november 2025.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
s het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?
heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met artikel 6:17 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb), dan wel het motiveringsbeginsel?
is de WOZ-waarde van de onroerende zaak te hoog vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de WOZ-waarde tot € 362.000. De heffingsambtenaar concludeert tot een niet-ontvankelijk hoger beroep.

4.Gronden

Ontvankelijkheid hoger beroep
4.1.
In de wet is bepaald dat de rechter in hoger beroep van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging kan verlangen, [1] om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. [2]
4.2.
Het hof heeft [gemachtigde] in deze procedure op 17 oktober 2025 het onder 2.5 genoemde bericht gestuurd. [gemachtigde] is door het hof in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 14 november 2025 te herstellen door een recente volmacht over te leggen. [gemachtigde] heeft de gevraagde recente volmacht niet overgelegd binnen de door het hof gestelde termijn.
4.3.
Het hof komt vervolgens toe aan de behandeling van de stelling van belanghebbende dat hij tijdig, in elk geval op de laatste dag van de door het hof gestelde termijn, om uitstel voor het indienen van een machtiging heeft verzocht. Belanghebbende stelt dat het proceseconomisch heel gebruikelijk is om uitstel te krijgen, en dat hij daar ook op mocht vertrouwen. Verder stelt [gemachtigde] dat zijn cliënten druk, of digitaal minder vaardig zijn en dat de machtiging daarom niet binnen de gestelde termijn kon worden overgelegd.
4.4.
Het hof stelt vast dat belanghebbende eerst in de avond van 14 november 2025, dat wil zeggen de uiterste dag van de door het hof gegeven termijn, om uitstel van de termijn heeft verzocht. Anders dan belanghebbende stelt, had hij er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat uitstel van deze termijn zou worden verleend. Onder de omstandigheden van dit geval had belanghebbende zich ervan moeten vergewissen of, en zo ja, tot wanneer hem nader uitstel voor het indienen van een recente volmacht was verleend. [3] Ook de stelling van [gemachtigde] dat zijn cliënten druk, of digitaal minder vaardig zijn en dat de machtiging daarom niet binnen de gestelde termijn kon worden overgelegd, kan belanghebbende niet baten. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij in dergelijke gevallen zijn cliënten informeert over de gevolgen van het niet tijdig aanleveren van een machtiging. Het is het hof voorts niet van overige omstandigheden gebleken op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
4.5.
Uit bovenstaande volgt dat de indiener van het beroepschrift de gevraagde machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn heeft overgelegd, zodat belanghebbende in verzuim is geweest. [4] Ook bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Het hof zal de het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R. Camps J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro.
2.Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.
3.Vgl. Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5117.
4.Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558, r.o. 3.2.