ECLI:NL:GHSHE:2026:1751

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.361.488_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 6:162 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor inzake aandelenoverdracht en waardering

In deze civiele procedure verzoekt appellant het hof om een voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen, nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. Het geschil betreft een aandelenoverdracht van 7 oktober 2021 waarbij appellant en zijn vennootschap niet waren gekend, terwijl verweerder als boekhouder mogelijk betrokken was bij de waardering en opdrachtverlening aan de notaris.

Appellant wil met het getuigenverhoor feiten bewijzen over de betrokkenheid van verweerder bij de overdracht en de waardering van de aandelen op één euro. Verweerder voert verweer dat appellant geen belang heeft, er geen schade is geleden en dat sprake is van misbruik van recht en fishing expedition.

Het hof oordeelt dat het verzoek aan de wettelijke eisen voldoet, dat appellant voldoende belang heeft en dat het getuigenverhoor noodzakelijk is om opheldering te verkrijgen over de betrokkenheid van verweerder. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek toe, verwijst de zaak naar de rechtbank voor het voorlopig getuigenverhoor en compenseert de proceskosten.

Uitkomst: Het hof vernietigt de afwijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en wijst het verzoek toe om de rol van verweerder bij de aandelenoverdracht nader te onderzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
Uitspraak : 2 juli 2026 (bij vervroeging)
Zaaknummer : 200.361.488/01
Zaaknummer EA : C/02/42940l / HA RK 24-222
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] , Duitsland ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.P. Harten te Rotterdam,
tegen
[verweerder], handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonende en kantoorhoudende te [woonplaats / kantoorplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. J.L.J.M. van de Mortel te Lekkerkerk.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van 28 april 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] om een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij appeldagvaarding van 22 juli 2025 met grieven en producties (nr. 1 tot en met 7), waarbij [verweerder] tegen 9 september 2025 is opgeroepen, heeft [appellant] het hof verzocht om bij arrest de beschikking van de rechtbank van 28 april 2025 te vernietigen en alsnog het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
2.2.
Bij arrest van 14 oktober 2025 heeft het hof de zaak verwezen naar een kamer van dit hof die belast is met de behandeling van verzoekschriften en bevolen dat de procedure met inachtneming van de regels van de verzoekschriftenprocedure wordt voortgezet.
2.3.
Het hof heeft partijen bij e-mail van 19 november 2025 bericht dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad over het overgangsrecht gezien onder meer de conclusie van 12 september 2025 van Advocaat-Generaal De Bock (ECLI:NL:PHR:2025:996).
2.4.
Bij brieven van 18 februari 2026 heeft het hof aan partijen medegedeeld dat het hof aanleiding ziet om de zaak verder inhoudelijk te gaan behandelen vanwege de uitspraak van de Hoge Raad op 6 februari 2025, ECLI:NL:HR:2026:201.
2.5.
Bij verweerschrift, ontvangen op 31 maart 2026, heeft [verweerder] het hof – kort weergegeven – verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, kosten rechtens inclusief de nakosten ook in hoger beroep.
2.6.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Harten overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen.
2.7.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • mr. Harten namens [appellant] en
  • [verweerder] , bijgestaan door mr. Van de Mortel.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat – kort en zakelijk weergegeven – om het volgende.
a. [B.V. 1] B.V. (hierna: [B.V. 1] ) en [B.V. 2] B.V. (hierna: [B.V. 2] ) hebben op 21 augustus 2020 ten overstaan van notaris mr. [notaris] (hierna: de notaris) [B.V. 3] B.V. (hierna: [B.V. 3] ) opgericht. [appellant] is zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V. 1] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) is zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V. 2] . In de akte van oprichting zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] benoemd tot bestuurders van [B.V. 3] en is bepaald dat [B.V. 1] en [B.V. 2] ieder voor 50% deelnemen in het bij de oprichting geplaatste kapitaal.
De [B.V. 3] was tot 7 oktober 2021 enig aandeelhouder van [B.V. 4] B.V. (hierna: [B.V. 4] ) en van [B.V. 5] B.V. (hierna: [B.V. 5] ).
[verweerder] is tot medio juli 2021 de boekhouder van [B.V. 1] geweest. [verweerder] was ook de boekhouder van de gezamenlijke vennootschappen van [betrokkene] en [appellant] , zoals onder meer [B.V. 3] , [B.V. 4] en [B.V. 5]
Op 7 oktober 2021 heeft de notaris akten gepasseerd waarbij de aandelen van [B.V. 3] in de vennootschappen [B.V. 4] en [B.V. 5] voor een koopprijs van één euro zijn geleverd aan een door [betrokkene] op 7 oktober 2021 opgerichte vennootschap [B.V. 6] B.V. (hierna: [B.V. 6] ) waarin alleen [betrokkene] een (indirect) eigendomsbelang heeft. [B.V. 6] is daardoor enig aandeelhouder en bestuurder geworden van [B.V. 4] en [B.V. 5] (hierna samen ook: de beide vennootschappen). [appellant] noch [B.V. 1] zijn in die transactie gekend.
[B.V. 1] heeft een tuchtklacht tegen de notaris ingediend, omdat [B.V. 1] niet is gekend in deze aandelenoverdracht.
Nadien heeft [B.V. 1] met [B.V. 2] een overeenkomst gesloten waarbij [B.V. 1] haar aandelen in [B.V. 3] voor één euro heeft verkocht en geleverd aan [B.V. 2] .
Bij beslissing van 26 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:722, heeft de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam (in hoger beroep) beslist dat de notaris zijn medewerking niet had mogen verlenen aan de aandelenoverdracht. Het hof heeft aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd.
Het verzoek, het oordeel van de rechtbank en de procedure in hoger beroep
3.2.
[appellant] heeft zowel in eerste aanleg bij de rechtbank als in hoger beroep verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, waarbij als getuigen zullen worden gehoord:
  • (Personeel en of medewerkers van) [verweerder] .
  • (Personeel en of medewerkers van) notaris [notaris] , naar het hof begrijpt: notaris [notaris] , te [kantoorplaats] .
  • (Personeel en of medewerkers van) [betrokkene] .
  • Overige personen die uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de rol van [verweerder] bij de onderwerpelijke aandelentransactie van 7 oktober 2021 en de daaraan voorafgaande onjuiste waardering van de overgedragen aandelen in [B.V. 5] en [B.V. 4] .
Hij onderbouwt dit verzoek als volgt. Uit de beslissing van het gerechtshof Amsterdam, blijkt volgens [appellant] dat de notaris stelt dat de accountant van [betrokkene] de aandelen heeft gewaardeerd en dat de notaris in opdracht van die accountant heeft gehandeld. Volgens [appellant] heeft de notaris daarmee [verweerder] bedoeld. [appellant] overweegt een vordering in te stellen uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tussen [appellant] en [verweerder] , als uit het getuigenverhoor blijkt dat met de door de notaris genoemde accountant, [verweerder] wordt bedoeld en dat [verweerder] de aandelen in [B.V. 5] en [B.V. 4] op één euro heeft gewaardeerd.
3.2.1.
[appellant] wil de volgende feiten bewijzen:
  • [nr. 14. van het verzoekschrift] dat [verweerder] zonder toestemming van [appellant] de notaris al dan niet namens [betrokkene] de opdracht heeft gegeven om de aandelen van de beide vennootschappen van [B.V. 3] aan [B.V. 6] van [betrokkene] voor het bedrag van één euro per vennootschap over te dragen.
  • [nr. 15. van het verzoekschrift] dat [verweerder] ten onrechte de waarde van de aandelen van de beide vennootschappen op één euro per vennootschap heeft gewaardeerd.
  • [nr. 16. van het verzoekschrift] dat [verweerder] geen, althans onjuiste jaarstukken van de beide vennootschappen over 2020, althans in 2021 onjuiste tussentijdse cijfers van deze vennootschappen heeft opgesteld om de aandelenoverdracht op 7 oktober 2021 voor het bedrag van één euro per vennootschap door de notaris mogelijk te maken.
  • [nr. 17. van het verzoekschrift] alle overige feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [verweerder] onrechtmatig jegens [B.V. 1] en [appellant] heeft gehandeld, dan wel dat [verweerder] is tekortgeschoten in zijn contractuele verplichtingen en zorgplicht die [verweerder] als boekhouder van [B.V. 1] jegens [appellant] en [B.V. 1] in acht had moeten nemen.
3.3.
[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2025 het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank [appellant] geen belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat (i) niet valt in te zien hoe de feiten onder punt 14, 15 en 16 van het verzoekschrift (hiervoor weergegeven in r.o. 3.2.1.) tot een vordering op [verweerder] kunnen leiden en (ii) [appellant] onder punt 17 van het verzoekschrift (hiervoor weergegeven in r.o. 3.2.1.) onvoldoende concreet heeft gesteld welk(e) feit(en) [appellant] wenst te bewijzen, zodat dit deel van het verzoek het karakter van een fishing expedition heeft.
3.5.
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank en heeft in het beroepschrift vier grieven aangevoerd die – kort weergegeven – betogen dat het verzoek tot het houden van een verzochte voorlopig getuigenverhoor alsnog moet worden toegewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] zijn verzoek in zoverre beperkt dat hij in ieder geval verzoekt de volgende personen te horen:
[verweerder] ;
de medewerker van zijn kantoor die bij de communicatie met de notaris betrokken was;
de betrokken notaris dan wel de behandelend medewerker van het notariskantoor;
[betrokkene] .
3.6.
[verweerder] heeft ook in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. De kern van zijn betoog is dat:
[appellant] geen belang heeft bij zijn verzoek, omdat er geen sprake was van betrokkenheid van [verweerder] bij de overdracht van de aandelen, de feiten nooit tot een vordering uit onrechtmatige daad of wanprestatie kunnen leiden en [appellant] geen schade heeft geleden,
en
[appellant] misbruik van recht maakt door zijn pijlen op [verweerder] te richten en niet op [betrokkene] en de notaris en omdat sprake is van een fishing expedition.
De beoordeling
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Het hof is bevoegd
3.7.1.
Omdat [appellant] woonachtig is in Duitsland, moet het hof eerst bepalen of het bevoegd is op het verzoek te beslissen.
3.7.2.
Vóórdat een zaak aanhangig is, is ten eerste relatief bevoegd de rechter die
vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt
gemaakt (artikel 197 lid 1 Rv Pro). Volgens de hoofdregel in dagvaardingsprocedures is dit
de rechter van de woonplaats van gedaagde. Het hof is van oordeel dat het bevoegd is, omdat [verweerder] woont en kantoor houdt in [woonplaats / kantoorplaats] , en dus in het ressort van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het hoger beroep is tijdig ingesteld
3.8.
In het kader van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de Hoge Raad in de uitspraak van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201 overwogen dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan,
op de mogelijkheid vanen
de termijn voor het instellen van rechtsmiddelengedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.
3.8.1.
Dat betekent dat binnen drie maanden na de datum van de beschikking hoger beroep open stond (en niet binnen vier weken op grond van artikel 200 lid 1 Rv Pro (nieuw)) en dat [appellant] dus tijdig hoger beroep heeft ingesteld omdat de appeldagvaarding van 22 juli 2025 is.
Toetsingskader
3.9.
Vervolgens ligt de vraag voor of het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor zoals door [appellant] bij inleidend verzoekschrift is verzocht alsnog moet worden toegewezen (en dus vernietiging van de beschikking waarvan beroep) of dat het verzoek ook in hoger beroep moet worden afgewezen. Het hof zal deze vraag naar het nieuwe recht moeten beantwoorden (en dus niet op grond van artikel 186 Rv Pro (oud)), omdat [appellant] na 1 januari 2025 hoger beroep heeft ingesteld. Het hof verwijst hiervoor naar artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en naar rov. 3.6. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201.
3.9.1.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv Pro kan de rechter, als het verzoek aan de eisen die de wet daaraan stelt voldoet en voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv Pro wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Deze vijf gronden voor afwijzing zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35498, p. 57 (MvT)).
3.9.2.
Artikel 197 lid 2 Rv Pro bepaalt in het algemeen wat het verzoek moet inhouden. Zo moet een verzoek onder meer bevatten:
een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek (dit moet op straffe van niet ontvankelijkheid in acht worden genomen), en
de aard en het beloop van de vordering.
Verzoekers dienen het feitelijk gebeuren waarover zij getuigen willen doen horen, zodanig te omschrijven dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal plaatsvinden, en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.
3.9.3.
Artikel 197 lid 3 bepaalt Pro dat het verzoekschrift, als wordt verzocht om getuigen te horen, de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoeker als getuigen wil horen vermeldt.
Het verzoek wordt toegewezen
3.10.
Naar het oordeel van het hof moet het verzoek van [appellant] om een voorlopig getuigenverhoor alsnog worden toegewezen. Het hof licht dat hierna toe.
3.10.1.
Het is het hof voldoende duidelijk geworden op welk feitelijk gebeuren het door [appellant] gewenste verhoor betrekking zal hebben en waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren. Het gaat namelijk over de al dan niet betrokkenheid van [verweerder] bij de aandelenoverdracht van 7 oktober 2021 voor een bedrag van één euro waarin [appellant] en [B.V. 1] niet gekend zijn.
3.10.2.
[appellant] heeft in het beroepschrift ook de aard en het beloop van de vordering tegen [verweerder] voldoende vermeld. [appellant] overweegt een vordering, primair op grond van artikel 6:162 BW Pro en subsidiair op grond van artikel 6:74 BW Pro, tegen [verweerder] in te stellen als blijkt dat [verweerder] de aandelen op één euro heeft gewaardeerd en/of opdracht heeft gegeven aan de notaris voor de aandelenoverdracht op 7 oktober 2021. Het betoog van [verweerder] dat hij geen opdrachtgever was, kan hem niet baten, alleen al omdat de mate van betrokkenheid nu juist door middel van een voorlopig getuigenverhoor moet worden achterhaald. Ook als vast komt te staan dat [verweerder] geen opdrachtgever was, maakt dit het oordeel van het hof niet anders. Dit sluit nog steeds niet uit dat [appellant] een vordering kan hebben jegens [verweerder] . Voor de toewijzing van het verzoek is niet vereist dat de vorderingen die [appellant] beoogd in te stellen nu al vaststaan of bewezen zijn. Een voorlopig getuigenverhoor is er juist voor om opheldering te verkrijgen over feiten, zodat een partij haar rechtspositie kan bepalen.
3.10.3.
Naar het oordeel van het hof kan niet op voorhand worden aangenomen dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek. Er zijn voldoende aanknopingspunten voor de betrokkenheid van [verweerder] bij de aandelenoverdracht. Uit de e-mailcorrespondentie met de notaris over de aandelenoverdracht blijkt dat [verweerder] en zijn kantoor in de communicatie over de aandelenoverdracht werden meegenomen. Daarbij komt dat in de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:722, staat dat de notaris in opdracht van de accountant van [betrokkene] akten heeft gepasseerd waarbij de aandelen voor een koopprijs van één euro zijn geleverd en dat de notaris goed bekend was met de (accountant van de) opdrachtgever. Of met ‘de accountant’ [verweerder] is bedoeld, is niet duidelijk. Daarvoor dient het voorlopig getuigenverhoor.
3.10.4.
Verder is het hof van oordeel dat de informatie die verlangd wordt voldoende bepaald is. Met het verzochte getuigenverhoor beoogt [appellant] namelijk opheldering te krijgen over de rol van [verweerder] bij de opdrachtverstrekking aan de notaris voor de aandelenoverdracht van 7 oktober 2021, of [verweerder] de aandelen op één euro heeft gewaardeerd en over de rol van [verweerder] bij het al dan niet opstellen of gebruiken van cijfers ter onderbouwing van de overdracht op 7 oktober 2021.
3.10.5.
[verweerder] heeft nog aangevoerd dat er geen schade kan zijn geleden, omdat de betrokken vennootschappen vooral lasten droegen en omdat [appellant] daardoor juist van verplichtingen zou zijn bevrijd. De vraag of er schade door [appellant] is geleden, staat niet ter beoordeling van het hof in een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, maar ter beoordeling van de behandelend kamer die zich daar in de eventuele hoofdzaak over zal gaan buigen. Alleen als het op voorhand duidelijk is dat [appellant] geen enkele schade heeft geleden, zou hij onvoldoende belang bij zijn verzoek kunnen hebben. Naar het oordeel van het hof is dat echter niet gebleken. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat in 2021 omzet werd gerealiseerd, namelijk € 546.100,00 bij [B.V. 4] en € 581.144,00 bij [B.V. 5] . Het hof kan dus niet zomaar ervan uitgaan dat de beide vennootschappen geen enkele waarde vertegenwoordigden. Hetgeen [verweerder] hierover heeft aangevoerd, is voor het hof dus geen reden om het verzoek af te wijzen.
3.10.6.
Hetzelfde geldt voor het argument dat [appellant] tegen de notaris of tegen [betrokkene] had moeten procederen. Het voorlopig getuigenverhoor dient er nu juist toe om te bepalen tegen wie, op welke grondslag en in welke omvang een procedure zinvol is. Dat de notaris en [betrokkene] ook betrokken zijn bij de aandelenoverdracht op 7 oktober 2021, sluit de relevantie van de rol van [verweerder] niet op voorhand uit.
3.10.7.
Van strijd met de goede procesorde is het hof dan ook niet gebleken. Hetzelfde geldt voor misbruik van recht of van andere gewichtige redenen tegen het houden van het verzochte getuigenverhoor.
3.10.8.
Ten aanzien van de te horen getuigen overweegt het hof dat het verzoek ten aanzien van de getuigen [verweerder] , de notaris en [betrokkene] wordt toegewezen. [appellant] wil daarnaast ook de betrokken medewerker van het kantoor van [verweerder] die bij de communicatie met de notaris betrokken was en de behandelend medewerker van het notariskantoor van de notaris horen. Het hof merkt hierover op dat de regie van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel berust bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris kan beslissen welke vragen relevant zijn bij iedere afzonderlijke getuige en ook de volgorde waarin de getuigen worden gehoord. Ook kan de rechter-commissaris beslissen of, gegeven de alsdan reeds afgelegde verklaringen, het verder horen van bepaalde getuigen (zoals voormelde medewerkers) nog nodig zal zijn. Dit alles uiteraard met inachtneming van het bepaalde in HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922. Tegen beslissingen van de rechter-commissaris staat in beginsel hoger beroep open bij de rechtbank.
Conclusie
3.11.
Gezien het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [appellant] dan ook toewijzen zoals nader in het dictum omschreven.
Proceskosten compensatie
3.12.
Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
wijst toe het verzoek van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de genoemde getuigen:
  • [verweerder] ;
  • notaris [notaris] te [kantoorplaats] ;
  • de heer [betrokkene] .
verwijst de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, teneinde het voorlopig getuigenverhoor aan te vangen;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.J. Korthuis - Becks, J.B. Smits en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.