ECLI:NL:GHSHE:2026:234

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/419
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67d Algemene wet inzake rijksbelastingenParagrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten BelastingdienstArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boetebeschikking inkomstenbelasting wegens niet aangegeven hennepkwekerij

Belanghebbende werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, waarbij inkomsten uit een hennepkwekerij niet waren aangegeven. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag verminderd en de boete verlaagd. Het hof behandelt het hoger beroep tegen deze uitspraak.

Het hof oordeelt dat belanghebbende bewust was van het niet aangeven van de aanzienlijke inkomsten uit de hennepkwekerij, ondanks zijn stelling dat hij geen kennis had van het belastingrecht. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, waardoor de boetebeschikking terecht is opgelegd.

Gezien de financiële situatie van belanghebbende, die een bijstandsuitkering ontvangt en een ontnemingsmaatregel van € 50.000 opgelegd heeft gekregen, acht het hof een boete van € 8.720 onaanvaardbaar. Daarom wordt de boete gematigd tot € 1.000 en vervolgens wegens termijnoverschrijding tot € 800. Tevens wordt het betaalde griffierecht van € 138 aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De boete wegens het niet aangeven van inkomsten uit hennepkwekerij wordt gematigd tot € 800 vanwege financiële omstandigheden en termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/419
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 februari 2024, zaaknummer BRE 22/5458, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [naam] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1960. In 2018 was hij niet gehuwd en had hij geen fiscaal partner.
2.2.
Op 25 oktober 2018 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een schuur op het adres [adres] te [plaats] .
2.3.
Belanghebbende heeft, na daarvoor te zijn uitgenodigd, op 16 maart 2019 aangifte IB/PVV 2018 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.404. Belanghebbende heeft in de aangifte geen inkomsten uit hennepkwekerij aangegeven.
2.4.
Bij brief van 6 februari 2020 heeft de inspecteur belanghebbende een rapport toegestuurd dat is opgemaakt naar aanleiding van een controle van onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV. Daarin staat onder meer:
(…) Voor de berekening op het inkomen heb ik gebruik gemaakt van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, versie november 2010. (…)
6 Berekening resultaat overige werkzaamheden
(…) Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening:
Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 21 juni 2018 tot 25 oktober 2018 er sprake is van één oogst á 585 hennepplanten in kweekruimte 1 en 576 hennepplanten in kweekruimte 2 uitgaande van een groeicyclus van 10 weken. Waarbij ik ben uitgegaan van de norm, zoals vermeld in het proces-verbaal van de politie Oost Brabant, zijnde 25,7 gram per plant voor kweekruimte 1 en 25,1 gram per plant voor kweekruimte 2. De gramprijs wordt door mij gesteld op € 4,07, zijnde de prijs die op dat moment in de markt gehanteerd is.
Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening:
Kweekruimte 1
- 585 planten X 25,7 gram = 15.034,5 gram
- 15.034,5 gram X € 4,07 = € 61.190,41
De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 1 komt hierdoor op € 61.190,00 voor één oogst.
Kweekruimte 2
- 576 planten X 25,1 gram = 14.457,6 gram
- 14.457,6 gram X € 4,07 = € 58.842,43
De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 2 komt hierdoor op € 58.842,43 voor één oogst.
De totale opbrengst in 2018 voor kweekruimten 1 en 2 komt hierdoor op € 120.032,00. Omdat niet duidelijk is hoe de verdeling van het genoten voordeel dient te worden verdeeld is om pragmatische reden en om de rechten van de Belastingdienst veilig te stellen besloten om bij alle verdachten het maximaal genoten voordeel tot hun genoten inkomen te rekenen.
Aftrekbare kosten:
Kosten komen alleen voor aftrek in aanmerking, indien er ook een opbrengst is gerealiseerd en deze kosten een
directerelatie hebben met het strafbare feit. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de teelt van de in beslag genomen hennepplanten, komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking. In het genoemde rapport van BOOM is opgenomen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. (…)
9. Boete
Over de correctie genoemd onder punt 6 ben ik voornemens naast de aanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst te leggen.
De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 50%.”
2.5.
Met dagtekening 14 oktober 2021 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 (hierna: de aanslag) vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur € 120.032 aan resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.436. Ook heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 28.388.
2.6.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur alsnog rekening gehouden met bij de hennepteelt gemaakte kosten tot een bedrag van € 9.036, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.400. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd tot € 25.878.
2.7.
De strafkamer van dit hof heeft op 6 oktober 2023 arresten gewezen in de strafzaak en ontnemingszaak van belanghebbende. Het hof heeft in de strafzaak overwogen dat de materiële bijdrage van belanghebbende aan de exploitatie van de hennepkwekerij zodanig is geweest dat het handelen van belanghebbende daarbij als medeplegen valt te kwalificeren en de veroordeling van de rechtbank voor het medeplegen van hennepteelt bevestigd. Het hof heeft in de ontnemingszaak het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 54.748, dit geschatte voordeel verminderd in verband met termijnoverschrijdingen tot een bedrag van € 50.000 en ten bedrage van laatsgenoemd bedrag aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Belanghebbende heeft beroep in cassatie tegen deze vonnissen ingesteld. Dit is in beide gevallen niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie.
2.8.
De rechtbank heeft op 14 februari 2024 het beroep tegen de in 2.6 vermelde uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.902 (door niet de gehele maar 50% van de netto opbrengst toe te rekenen aan belanghebbende), de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de vergrijpboete verminderd tot € 8.720 vanwege vermindering van de boetegrondslag en in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in door belanghebbende gemaakte proceskosten.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan?
II. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven?
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt ingetrokken dat met een toerekening van 50% van de netto opbrengsten (zijnde de door de rechtbank in goede justitie vastgestelde opbrengst) uit de hennepkwekerij aan belanghebbende de aanslag willekeurig is vastgesteld. Daarmee is de redelijke schatting, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, niet meer in geschil.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot een ontkennende beantwoording van de hiervoor genoemde vragen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan?
4.1.
In hoger beroep is niet meer in geschil dat – met het niet aangeven van de aanzienlijke inkomsten uit de hennepteelt - sprake is van een gebrek in de aangifte van belanghebbende dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. [1] Het geschil omtrent de vraag of de vereiste aangifte is gedaan spitst zich toe op de vraag of belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
4.2.
Belanghebbende stelt in dat kader dat hij geen kennis heeft van het belastingrecht en dat het bovendien geen feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit illegale activiteiten in de aangifte moeten worden aangegeven. Belanghebbende stelt dat de inspecteur daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende zich ervan bewust was dat hij de inkomsten in de aangifte had moeten aangeven.
4.3.
Het hof stelt voorop dat de vereiste bewustheid moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De stelplicht en bewijslast hiervan rust in beginsel op de inspecteur. [2] Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om hierover anders te oordelen.
4.4.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur terecht naar voren gebracht dat het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn inkomsten uit de hennepteelt niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. In het midden kan blijven of belanghebbende wist dat inkomen uit een criminele oorsprong zoals hennepteelt in de aangifte aangeven moet worden.
II. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven?
4.5.
De inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met paragrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting, omdat belanghebbende volgens hem opzettelijk een onjuiste dan wel onvolledige aangifte heeft gedaan door de opbrengsten uit de hennepkwekerij niet in de aangifte op te nemen. Mede gelet op het illegale karakter van deze activiteiten heeft belanghebbende de inkomsten uit het zicht van de fiscus willen houden, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de aangifte moeten worden aangegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de boete terecht heeft opgelegd maar heeft de boete wel verminderd wegens vermindering van de boetegrondslag en overschrijding van de redelijke termijn (zie 2.8).
4.6.
Het hof stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient te worden begrepen als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. [3] Het hof zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat hij de aangifte onjuist heeft gedaan.
4.7.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake als (i) belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, en (ii) hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [4]
4.8.
Naar het oordeel van het hof is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast, zodat de boetebeschikking terecht is gegeven. Vast staat dat belanghebbende in het jaar 2018 aanzienlijke inkomsten uit illegale hennepteelt heeft verkregen en dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangeven in zijn aangifte. Deze gedragingen worden door het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat over deze inkomsten geen belasting wordt betaald, dat het – bij gebrek aan contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het hem aan bewustheid heeft ontbroken omdat hij geen enkele opleiding heeft genoten, zelfs geen lagere school, en enige belastingkennis volledig ontbreekt. Het hof acht dit ongeloofwaardig gelet op zijn betrokkenheid bij en inkomsten uit de hennepkwekerij en het hiervoor onder 4.4 genoemde feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en ziet hierin dan ook geen contra-indicatie als hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van het hof is, nu ook niet meer in geschil is dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten, hiermee overtuigend aangetoond dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan.
4.9.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte de boete niet verder gematigd heeft, omdat a) belanghebbende weinig financiële draagkracht heeft en b) de boetegrondslag is komen vast te staan door omkering van de bewijslast.
4.10.
Ten aanzien van de vraag of de boete passend en geboden is, overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat zijn financiële draagkracht een probleem vormt bij het betalen van de vergrijpboete. Dit is door de inspecteur niet betwist. Het hof stelt, op grond van die stukken, vast dat belanghebbende, inmiddels 65 jaar, thans a) geen zichtbaar vermogen heeft, b) een bijstandsuitkering ontvangt van afgerond € 800 per maand en c) aan hem de onherroepelijk geworden verplichting is opgelegd tot betaling van de ontnemingsmaatregel van € 50.000 aan de Staat. Het hof is daarom van oordeel dat een boete door de rechtbank verminderd tot een bedrag van € 8.720 tot onaanvaardbare financiële problemen voor belanghebbende zal leiden. Het hof zal de boetebeschikking op basis van de gestelde, onderbouwde en niet-betwiste financiële omstandigheden verminderen tot € 1.000. Het hof acht deze boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan twee jaar zal het hof de boete verminderen tot € 800.
4.11.
Het bedrag aan verschuldigde belasting – dat tevens de grondslag voor de boete vormt - is wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. [5] Die omstandigheid is voor het hof in dit geval geen aanleiding om de boete verder te matigen, omdat bij het bepalen van de grondslag van de heffing is aangesloten bij het in 2.4 vermelde rapport en tevens omdat de boete reeds fors is verlaagd vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is omdat de boete verminderd wordt tot € 800.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht. De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting voor het hof verklaard dat hij procedeert op grond van een toevoeging en heeft zijn verzoek om een proceskostenvergoeding ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de boete;
  • verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar die ziet op de boete;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar die ziet op de boete;
  • vermindert de boete tot € 800;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, M.J.C. Pieterse en C.W.M.M. Verkoijen, leden, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8043.
2.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
3.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.
4.Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, r.o. 4.2.2.
5.Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, rechtsoverweging 3.6.8.