Belanghebbende, bestuurder van een met een buitenlands kenteken geregistreerd voertuig, werd op 6 december 2021 door de politie tot stilstand gebracht. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete op. Belanghebbende stelde dat deze aanslag en boete onrechtmatig waren omdat de gegevens waarop deze waren gebaseerd, volgens hem in strijd met het discriminatieverbod waren verkregen.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de boete. De inspecteur ging hiertegen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat de controle op discriminatoire gronden had plaatsgevonden en dat de inspecteur geen instructie hoefde te geven aan opsporingsambtenaren over het verbod op discriminatie, omdat zij hier reeds op grond van de grondwet en internationale verdragen toe gehouden zijn.
Het hof bevestigde dat het gebruik van door derden verkregen bewijsmiddelen door de inspecteur toegestaan is, tenzij deze op een wijze zijn verkregen die onaanvaardbaar is voor een behoorlijk handelende overheid. Dit was hier niet het geval. De naheffingsaanslag en boete zijn daarom niet onrechtmatig opgelegd.
Ten aanzien van de boete stelde het hof dat de rechtbank op goede gronden had geoordeeld dat de boete passend en geboden was, en dat er geen sprake was van afwezigheid van alle schuld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.