Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:675

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
20-001123-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zware mishandeling en poging tot zware mishandeling met gedeeltelijke vrijspraak en strafvermindering

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor zware mishandeling van slachtoffer 1 en poging tot zware mishandeling van slachtoffer 2. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van medeplegen, omdat geen nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte was vastgesteld.

De bewezenverklaring betreft het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan slachtoffer 1 door een gerichte klap in het gezicht met meerdere aangezichtsfracturen en een blijvend litteken, en de poging tot zware mishandeling van slachtoffer 2 door een gerichte schop terwijl het slachtoffer bewusteloos op de grond lag. De verdediging voerde noodweer, noodweerexces en putatief noodweer aan, maar deze verweren werden verworpen op basis van videobeelden en getuigenverklaringen.

De straf is vastgesteld op 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. De vordering van slachtoffer 1 tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen: € 653,20 materiële schade en € 7.500 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met gijzeling als dwangmiddel.

Het hof hield rekening met het eerdere justitiële verleden van de verdachte en de ernst van de feiten, en wees matiging van de straf af. De verdachte is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met een maximale gijzelingstermijn van 65 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001123-24
Uitspraak : 6 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 april 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder parketnummers 02-064057-23 en 02-141787-23, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van zware mishandeling’ (in de zaak met parketnummer 02-064057-23) en ‘poging tot zware mishandeling’ (in de zaak met parketnummer 02-141787-23) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbonden. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] hoofdelijk (gedeeltelijk) toegewezen, te weten tot een bedrag van € 8.153,20, bestaande uit € 653,20 aan materiële schadevergoeding en uit € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in beide zaken primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is ten aanzien van de zaak met parketnummer 02-064057-23 vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde. In de zaak met parketnummer 02-141787-23 heeft de verdediging primair bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu sprake is van noodweer, dan wel noodweerexces, dan wel putatief noodweer. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat kritisch naar de vordering dient te worden gekeken en als het hof aanleiding ziet om de vordering te matigen, dit ook gedaan zal moeten worden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in beide zaken ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-064057-23:
primair
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 24 juni 2022 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken jukbeen (waarvoor een of meerdere operaties noodzakelijk zijn/waren) en/of een blijvend litteken in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of die [slachtoffer 1] (daarbij) ten val te brengen;
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 24 juni 2022 te Breda, althans in Nederland, openlijk, te weten in eetcafé/eetgelegenheid [café] en/of in de Vismarktstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen [slachtoffer 1] , door
- een of meer slaande bewegingen te maken naar/in de richting van die [slachtoffer 1] en/of
- die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of in de bank te drukken en/of
- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of die [slachtoffer 1] (daarbij) ten val te brengen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken jukbeen en/of een blijvend litteken in het gezicht voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 24 juni 2022 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of die [slachtoffer 1] (daarbij) ten val te brengen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken jukbeen (waarvoor een of meer operaties noodzakelijk zijn/waren) en/of een blijvend litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad.
Zaak met parketnummer 02-141787-23 (gevoegd):
primair
hij op of omstreeks 11 juni 2023 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer 2] hard tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 juni 2023 te Breda een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] hard tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-064057-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-141787-23 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-064057-23:
primair
hij op 24 juni 2022 te Breda, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken oogkas en een gebroken jukbeen en een blijvend litteken in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] tegen het gezicht/hoofd te slaan en die [slachtoffer 1] daarbij ten val te brengen.
Zaak met parketnummer 02-141787-23 (gevoegd):
primair
hij op 11 juni 2023 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer 2] hard tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
In de zaak met parketnummer 02-064057-23
De verdediging heeft – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – bepleit dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die voor het bewijs van medeplegen noodzakelijk is, waardoor enkel, via de voorwaardelijk opzet variant, tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Twee aparte incidenten, geen sprake van medeplegen
Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplegen aan een strafbaar feit op grond van bestendige jurisprudentie sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Inhoudelijk geldt daarbij dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s), als op de verwezenlijking van dat tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn of de verdachte heeft op de een of andere manier een wezenlijke bijdrage aan het delict geleverd. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn, hetgeen samenhangt met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen en de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld (vgl. o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 en HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:41/43).
Anders dan de rechtbank maar in overeenstemming met de verdediging beschouwt het hof het deel van het geweld tegen [slachtoffer 1] dat zich binnen de eetgelegenheid [café] heeft afgespeeld en het deel van het geweld dat zich buiten de eetgelegenheid heeft afgespeeld als twee losse incidenten. De medeverdachte [medeverdachte] , de neef van verdachte, heeft binnen de eetgelegenheid [slachtoffer 1] mishandeld door hem meerdere vuistslagen te geven. Daarbij heeft verdachte, die eveneens in de eetgelegenheid aan tafel zat waar het geweld plaatsvond, tijdens het geweld gepleegd door de medeverdachte getracht de medeverdachte tegen te houden en het slachtoffer weg te duwen. Na de mishandeling door de medeverdachte zijn de verdachte en de medeverdachte door omstanders vrij rustig naar buiten de eetgelegenheid begeleid. Buiten gekomen bleven beiden buiten voor de eetgelegenheid staan waarna het slachtoffer buiten kwam staan. Aansluitend ontstond een korte discussie tussen met name de medeverdachte en het slachtoffer. De verdachte heeft na een korte periode van discussie plots uit het niets het slachtoffer met kracht en gericht in het gezicht geslagen, waarna het slachtoffer achterover is gevallen. Vervolgens zijn beide verdachten van de plaats delict weggelopen.
Verdachte heeft geen aandeel gehad in het geweld tegen [slachtoffer 1] dat zich binnen de eetgelegenheid heeft afgespeeld. Verdachte blijkt uit de beelden van het incident binnen de eetgelegenheid overvallen door het geweld gepleegd door de medeverdachte, waarna hij probeert het geweld te stoppen. Op grond hiervan acht het hof het opzet van verdachte op de mishandeling binnen de eetgelegenheid, noch op de onderlinge samenwerking daartoe gericht.
De medeverdachte heeft op zijn beurt geen aandeel gehad in het geweld dat zich buiten de eetgelegenheid heeft afgespeeld. Verdachte blijkt uit de beelden van het incident buiten de eetgelegenheid onverhoeds en uit het niets het slachtoffer met kracht en gericht in het gezicht te slaan. Op grond hiervan acht het hof het opzet van de medeverdachte op de zware mishandeling buiten de eetgelegenheid, noch op de onderlinge samenwerking daartoe gericht.
De omstandigheid dat beide verdachten gezamenlijk die avond in de eetgelegenheid aanwezig waren na een avond samen uit te zijn geweest in Breda en tussen beide incidenten binnen en buiten de eetgelegenheid een betrekkelijk korte tijd zat, doet aan het voorgaande niet af. Het hof acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet bewezen dat ter zake van zowel het primair, het subsidiair, als het meer subsidiair tenlastegelegde sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het medeplegen kan dan ook niet bewezen worden verklaard.
Het hof zal de verdachte op grond van het voorgaande daarom partieel vrijspreken van het primair tenlastegelegde
medeplegenvan zware mishandeling en vrijspreken van het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde (mede)plegen van mishandeling.
Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Om tot een bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde zware mishandeling, dient te worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
Het hof stelt dienaangaande het volgende voorop.
Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr Pro strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en geeft daardoor tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip, maar de wetgever heeft niet beoogd in die bepaling een limitatieve opsomming te geven. Het artikel laat de rechter de vrijheid om ook buiten de daarin aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen volgens bestendige jurisprudentie in elk geval worden aangemerkt
de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd (vgl. HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510; HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051 en HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66).
In de onderhavige zaak heeft de verdachte blijkens de beelden van het incident buiten de eetgelegenheid onverhoeds en uit het niets het slachtoffer met kracht en gericht in het gezicht geslagen. De verdachte heeft het slachtoffer hierdoor opzettelijk diverse aangezichtsfracturen, zijnde een gebroken neus, een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen (waarvoor een of meerdere operaties noodzakelijk zijn/waren) en een blijvend litteken in het gezicht toegebracht. Daarbij neemt het hof mede in overweging dat verdachte door het slachtoffer onverhoeds met kracht en gericht een vuistslag in het gezicht te geven – zijnde een uiterst kwetsbaar deel van het hoofd – onder die omstandigheden de ‘aanmerkelijke kans’ heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen (vgl. o.a. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453 en HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:661). Uit het dossier, de medische verklaring en de slachtofferverklaring blijkt voor het hof genoegzaam dat het letsel dat het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft opgelopen, gezien de aard van het letsel, in elk geval kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-064057-23 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 02-141787-23 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
In de zaak met parketnummer 02-141787-23
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu [slachtoffer 2] de eerste klap heeft gegeven na het uiten van diverse bedreigingen, waardoor er een situatie was waarin de verdachte zich mocht en kon verdedigen. Daarmee wordt primair een beroep op noodweer/noodweerexces gedaan. Subsidiair wordt een beroep gedaan op putatief noodweer, aangezien de verdachte in de verschoonbare dwaling verkeerde dat hij zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest verdedigen.
Het hof overweegt als volgt.
Noodweer
Het hof stelt op grond van bestendige jurisprudentie het volgende beoordelingskader voorop.
Een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk gevaar voor zo een aanranding. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9913; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.3.-3.5.3. en HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1420).
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41, eerste lid Sr.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als 'verdediging', maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie (vgl. o.a. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 en HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:291).
Het dossier bevat onder andere beelden waarop te zien is dat verdachte tijdens een gesprek met het latere slachtoffer, [slachtoffer 2] , deze plots met zijn linkerarm een vuistslag tegen het hoofd geeft om vervolgens nogmaals met zijn linkerarm uit te halen naar het gezicht van het slachtoffer. Bij deze laatste handeling vallen beiden, verdachte en slachtoffer, vervolgens op straat. Verdachte staat dan snel op en terwijl het slachtoffer bewegingloos – en naar het lijkt bewusteloos – op zijn linkerzijde op straat ligt, schopt verdachte met zijn rechterbeen en met zijn geschoeide rechtervoet met kracht en gericht naar het slachtoffer. Uit de aangifte en getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat de verdachte het slachtoffer daarbij in het gezicht heeft geschopt. Aansluitend wordt verdachte door omstanders vastgegrepen.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat de inhoud van de in het dossier opgenomen beelden geen aanknopingspunten bieden voor de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden waarbij het latere slachtoffer verdachte na het uitten van diverse bedreigingen eerst zou hebben geslagen als gevolg waarvan verdachte zou hebben gereageerd tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. De beelden en de verklaringen in het dossier maken daarentegen duidelijk dat verdachte twee maal uithaalt naar het latere slachtoffer en als het slachtoffer, duidelijk zichtbaar voor een ieder, roerloos en naar het lijkt bewusteloos op de straat ligt, het slachtoffer met kracht in het gezicht schopt. Op dat moment is in het geheel geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De gedragingen van verdachte kunnen derhalve op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen worden aangemerkt als 'verdediging', maar juist eerder als aanvallend.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Op grond hiervan acht het hof de namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden en wordt het verweer noodweer(exces) en het verweer van putatief noodweer(exces) verworpen.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] en poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Hij heeft [slachtoffer 1] tegen het gezicht/hoofd geslagen, waardoor [slachtoffer 1] een gebroken neus, een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen en een blijvend litteken in het gezicht heeft opgelopen en [slachtoffer 2] tegen het hoofd geschopt terwijl deze al weerloos op de grond lag. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hen veel pijn toegebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden te handelen zoals bewezen is verklaard.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdediging heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verdachte werkzaam is als zzp’er en dat hij de zorg draagt voor zijn moeder en grootmoeder die beiden recent zijn geopereerd.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. In het feit dat de verdachte met twee dagvaardingen is gedagvaard voor twee feiten die meer dan één jaar na elkaar hebben plaatsgehad, te weten juli 2022 en juni 2023, ziet het hof – anders dan de verdediging – geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf over te gaan.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.653,20, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten:
- Materiële schadevergoeding: € 653,20:
o Reiskosten naar ziekenhuis (€ 0,30 per km): € 181,20;
o Parkeerkosten ziekenhuis: € 25,00;
o Medicatie, verband, neusdouche, neusspray: € 75,00 (schatting);
o Kosten vergoeding bebloede kleding en schoenen: € 150,00 (schatting);
o Huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn huishoudelijke Hulp (3 x € 74): € 222,00.
- Immateriële schadevergoeding: € 11.000,00.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.153,20, waarvan € 653,20 materiële schade en € 7.500,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft geen verweer gevoerd tegen het toekennen van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding, zoals de rechtbank heeft gedaan.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder parketnummer 02-064057-23 rechtstreeks materiële schade heeft geleden in de vorm zoals is gevorderd. De schade is ontstaan omdat de verdachte de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht op 24 juni 2022. Door het letsel moest de benadeelde partij naar het ziekenhuis reizen, daar parkeren en medicatie aanschaffen. Ook zijn door de gedragingen van de verdachte de kleding en schoenen van de benadeelde beschadigd. Het hof zal het materiële gedeelte van de vordering dan ook geheel toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente materiële schadevergoeding
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2024, te weten de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 02-064057-23 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten een gebroken neus, een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen en een blijvend litteken in het gezicht.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 7.500,00. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade, groot € 3.500,00, af.
Wettelijke rente immateriële schadevergoeding
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 8.153,20. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 8.153,20, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-141787-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-064057-23 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-141787-23 primair en in de zaak met parketnummer 02-064057-23 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-064057-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.153,20 (achtduizend honderddrieënvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 653,20 (zeshonderddrieënvijftig euro en twintig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-064057-23 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.153,20 (achtduizend honderddrieënvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 653,20 (zeshonderddrieënvijftig euro en twintig cent) materiële schadevergoeding en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
25 maart 2024.
en van de immateriële schade op
24 juni 2022.
Aldus gewezen door:
mr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. R. de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers,
en op 6 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Koevoets en mr. De Bree zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.