Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:808

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/115, 24/116, 24/271 en 24/272
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geheimhouding anonieme klikbrief en klikmail in belastinggeschil toegewezen

De inspecteur legde aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw op over 2016 en 2017, waarbij bezwaar en beroep volgden. In hoger beroep verzocht de inspecteur geheimhouding van een anonieme klikbrief en klikmail, omdat deze stukken de privacy van derden raken.

De geheimhoudingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:29 Awb Pro en concludeerde dat de privacybelangen van derden zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de stukken. De klikbrief en klikmail bevatten algemene informatie die niet relevant is voor de beoordeling van de navorderingsaanslagen.

Belanghebbende stelde dat hij al inzage had gehad en dat de stukken afkomstig waren van zijn ex-partner, maar de kamer achtte dit niet aannemelijk. De geheimhoudingskamer besloot dat de stukken geheim blijven voor zowel belanghebbende als de hoofdkamer, waarbij de procesdossiers zonder deze stukken worden overgedragen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift is op die datum geplaatst in Mijn Rechtspraak.

Uitkomst: Het verzoek om geheimhouding van de anonieme klikbrief en klikmail wordt toegewezen vanwege privacybescherming van derden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’
Nummers: 24/115, 24/116, 24/271 en 24/272
Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 januari 2024, nummers BRE 22/4037 tot en met 22/4040 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, en heeft gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 tevens een navorderingsaanslag IB/PVV en een navorderingsaanslag Zvw opgelegd, en heeft gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de navorderingsaanslagen over het jaar 2017 betreft, waarbij hij deze navorderingsaanslagen en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen verminderd heeft. Tevens heeft hij de vergrijpboete vernietigd. Voor het overige heeft hij de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De inspecteur heeft een verzoek om beperkte kennisneming of geheimhouding gedaan. Dat verzoek ziet op twee stukken, te weten een anonieme klikbrief en een klikmail.
1.7.
De inspecteur heeft de twee stukken aan de geheimhoudingskamer van het hof overgelegd, met daarbij een toelichting op zijn verzoek om geheimhouding.
1.8.
Met een brief van 15 januari 2026 heeft de geheimhoudingskamer van het hof aan belanghebbende een reactie gevraagd op het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur. Ook is gevraagd of belanghebbende toestemming geeft voor beperkte kennisneming.
1.9.
Op 22 februari 2026 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek om beperkte kennisneming of geheimhouding van de inspecteur. De reactie van belanghebbende is doorgestuurd aan de inspecteur.

2.Verzoek

De geheimhoudingskamer zal beoordelen of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb Pro, die rechtvaardigen dat de inspecteur weigert de anonieme klikbrief en de klikmail over te leggen.

3.Beoordeling van het verzoek

Juridisch kader
3.1.
De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het hof te zenden. Dit artikel strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter – en belanghebbenden – beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan hem ter beschikking staan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. [1] Het betreft stukken die in de zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de inspecteur of die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter. [2] Tot de over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [3]
3.2.
Als een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt dat in beginsel met zich dat het in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. [4] Het bepaalde in artikel 8:29 Awb Pro biedt echter aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis neemt van de stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt dit artikel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (maar deels geschoond) aan de andere partij en de hoofdkamer te overleggen.
3.3.
In art. 8:29, lid 5, Awb staat dat beperkte kennisneming (waarbij de rechter wel, maar belanghebbende niet over het ongeschoonde stuk beschikt) alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet ingestemd met beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek van de inspecteur daarom opgevat als een verzoek om geheimhouding (waarbij zowel belanghebbende als de rechter in de hoofdzaak niet beschikt over de betreffende twee stukken).
3.4.
Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of de stukken voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. [5] Slechts als de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
3.5.
De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat als de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbenden geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbenden in de procedure bij de hoofdkamer moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.
3.6.
De belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van de gehele dossiers.
Beoordeling van het verzoek
3.7.
Het verzoek van de inspecteur ziet op een anonieme klikbrief en een klikmail. De inspecteur heeft als gewichtige reden voor geheimhouding aangevoerd dat de privacy van derden moet worden beschermd, en dat belanghebbende niet onevenredig in zijn procespositie wordt geschaad als hij geen kennis kan nemen van de gegevens. De anonieme klikbrief is namelijk slechts de aanleiding geweest om een onderzoek te starten, en de correcties zijn geheel gebaseerd op daaropvolgend eigen onderzoek van de inspecteur, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een controlerapport. De klikmail is binnengekomen gedurende het onderzoek. Bovendien betreffen de navorderingsaanslagen over het jaar 2016 slechts een correctie inzake privégebruik auto. De anonieme klikbrief en klikmail beschrijven echter een geheel ander signaal, zodat die voor de beoordeling van dit geschil niet van belang zijn. Ten aanzien van de navorderingsaanslagen over het jaar 2017, merkt de inspecteur op dat het weliswaar tevens een omzetcorrectie betreft, maar dat de anonieme klikbrief en de klikmail van dusdanig algemene aard zijn dat de inspecteur zijn correctie daar niet op gebaseerd heeft.
3.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij een belang heeft bij kennisneming van de anonieme klikbrief en de klikmail. Volgens belanghebbende heeft hij al inzage gehad in deze stukken, namelijk voorafgaand aan het hoorgesprek in de bezwaarfase. Toen heeft hij kunnen vaststellen dat zowel de anonieme klikbrief als de klikmail afkomstig is van zijn expartner. Dit heeft een medewerker van de Belastingdienst in het hoorgesprek ook bevestigd, aldus belanghebbende. Belanghebbende wordt geschaad door de beschuldigingen van zijn ex-partner, die uit woede al eerder heeft geprobeerd om belanghebbende te benadelen, bijvoorbeeld door het doen van aangifte bij de politie. Belanghebbende stelt zich daarom op het standpunt dat hij er belang bij heeft dat de anonieme klikbrief en de klikmail worden overgelegd en dat het verzoek om geheimhouding moet worden afgewezen.
3.9.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang van privacy van derden in dit geval zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de anonieme klikbrief en de klikmail. Weliswaar is de klikbrief anoniem, maar de brief bevat bepaalde gegevens waardoor herleidbaar kan zijn wie deze geschreven heeft. Het hof weegt daarnaast mee dat de kenbaarheid van deze gegevens niet van belang is voor de beslissing in de hoofdzaak, aangezien het om dusdanig algemene informatie gaat dat de inspecteur zijn correcties daarop niet heeft kunnen baseren. Van die correcties draagt de inspecteur overigens de bewijslast. Het is dus aan hem om zijn standpunt met bewijs(stukken) te onderbouwen. Verder overweegt de geheimhoudingskamer dat belanghebbende bij geheimhouding van de stukken niet wordt gehinderd om in de hoofdzaak gericht zijn (processuele) standpunten te bepalen. Daarvoor is namelijk niet van belang dat hij de inhoud of de afzender van de anonieme klikbrief of klikmail kent, althans daartoe heeft hij gelet op dat wat de geheimhoudingskamer hiervoor heeft overwogen, onvoldoende gesteld. Dat belanghebbende al eerder inzage heeft gehad in de betreffende stukken, acht de geheimhoudingskamer – gelet op de inhoud van die stukken – niet aannemelijk, zodat zij ook daarin geen reden ziet om het geheimhoudingsverzoek af te wijzen.
Conclusie
3.10.
Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding is gerechtvaardigd. De anonieme klikbrief en de klikmail mogen daarom geheim blijven voor belanghebbende en ook voor de hoofdkamer, die de zaken inhoudelijk behandelt.

4.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde reden voor geheimhouding van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde anonieme klikbrief en klikmail is gerechtvaardigd;
  • verwijst de zaak naar de hoofdkamer en stelt de procesdossiers daaraan ter beschikking, met uitzondering van die aan de geheimhoudingskamer overgelegde anonieme klikbrief en klikmail.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R, Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan een partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De raadsheer,
R. Camps M.J.C. Pieterse
Rechtsmiddel
Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan. [6]

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
2.Zie de arresten van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874.
3.Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder i.
4.Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder iv.
5.Vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, overweging 3.3.3.
6.Vergelijk Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.