Belanghebbende werd een naheffingsaanslag accijns opgelegd vanwege het voorhanden hebben van onveraccijnsde waterpijptabak in een loods die hij huurde en gebruikte. De inspecteur stelde dat belanghebbende de tabak voorhanden had omdat deze in zijn loods werd aangetroffen en hij toegang had tot de loods. Belanghebbende voerde aan dat hij slechts huurder was, geen gebruiker, geen sleutel had en niet beschikte over de tabak.
Tijdens het onderzoek bleek uit verklaringen van belanghebbende en getuigen dat hij wel degelijk de loods gebruikte, de sleutel bezat en aanwezig was bij het lossen van containers met waterpijptabak. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende de tabak voorhanden had en legde de naheffingsaanslag terecht op. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer van belanghebbende.
Het hof benadrukte dat het begrip 'voorhanden hebben' unierechtelijk is uitgelegd en dat het niet relevant is of belanghebbende wist dat de goederen accijnsgoederen waren of dat hij eigenaar was. Ook het betoog dat de tabak onverhoeds in de loods was gekomen, leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.